Het recht op berechting binnen een redelijke termijn en het start- en eindpunt
Het recht op behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn vloeit voort uit het internationale mensenrechtenkader. Die “redelijke termijn” begint niet te lopen op het moment van de feiten, en evenmin noodzakelijk bij de start van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek. Het vertrekpunt ligt bij het ogenblik waarop de betrokkene daadwerkelijk verplicht werd maatregelen te nemen om zich te verdedigen. Het eindpunt is de definitieve uitspraak. Anders dan bij verjaring is er dus geen vaste termijn, maar een beoordeling in concreto, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak.(F. Deruyck, “De overschrijding van de redelijke termijn en de onderzoeksgerechten: Let’s get serious”, in Het Strafrecht bedreven. Liber Amicorum Alain De Nauw, p. 171–182).
Overschrijding is geen automatische stopzetting van de strafvordering
Wie “redelijke termijn” hoort, denkt al snel aan een soort procesrechtelijke deadline waarbij een overschrijding automatisch tot verval van de strafvordering leidt. Het strafprocesrecht is echter een andere weg ingeslagen. De wetgever heeft voorzien dat, wanneer de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, de rechter niet verplicht is de vervolging stop te zetten, maar een vorm van compensatie kan geven in de eindbeslissing. Dat kan door een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring of door het uitspreken van een straf onder de wettelijke minimumstraf. Het uitgangspunt is dus: de overschrijding leidt in principe niet tot het verdwijnen van de strafvordering als dusdanig.
De klassieke visie: onderzoeksgerechten zijn niet het forum voor dat debat
Historisch stelde zich een belangrijke procesrechtelijke vraag: bij welke rechter kan (of moet) de overschrijding van de redelijke termijn worden aangevoerd? Lange tijd oordeelde het hoogste rechtscollege dat het onderzoeksgerecht in regel geen uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering en daarom, behoudens uitzonderlijke situaties waarin het eerlijk proces reeds vóór verwijzing naar de bodemrechter in gevaar zou komen, niet het forum was om het rechtsherstel voor een termijnoverschrijding te realiseren. Dit leidde ertoe dat in de praktijk verwezen werd naar de feitenrechter: pas daar kon de termijnoverschrijding worden “gesanctioneerd”.
Het probleem van effectieve rechtsbescherming en de Europese correctie
Die benadering bleek kwetsbaar. Ze kon immers tot gevolg hebben dat iemand die in de onderzoeksfase langdurig aan een vervolging wordt blootgesteld, geen effectief middel heeft om die klacht te laten behandelen zolang de zaak nog niet bij de bodemrechter komt — en het is zelfs niet zeker dat een zaak ooit bij de bodemrechter belandt. Dat botst met het principe dat bij schending van verdragsrechten een “daadwerkelijk” rechtsmiddel beschikbaar moet zijn. Op Europees niveau is dat uitgangspunt bevestigd: het ontbreken van een effectief nationaal rechtsmiddel om klachten over de duur van de procedure te laten gelden, werd onverenigbaar geacht met het vereiste van effectieve rechtsbescherming.
De ommezwaai: ook het onderzoeksgerecht moet het debat voeren
Daarop is de rechtspraak gekanteld. De kern van de nieuwe benadering is dat wanneer het onderzoeksgerecht kennisneemt van de zaak en de inverdenkinggestelde de overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen daarvan aan de orde stelt, het onderzoeksgerecht daarover een debat op tegenspraak moet organiseren en uitspraak moet doen. Het onderzoeksgerecht wordt dan beschouwd als de instantie waar de betrokkene zich toe kan richten om rechtsbescherming te verkrijgen. Dit betekende een principiële erkenning: in de onderzoeksfase kan en moet het punt van de redelijke termijn daadwerkelijk behandeld worden (F. Deruyck, “De overschrijding van de redelijke termijn en de onderzoeksgerechten: Let’s get serious”, in Het Strafrecht bedreven. Liber Amicorum Alain De Nauw, p. 171–182.).
Maar wat is dan het rechtsgevolg? Vaststelling, verval, buitenvervolgingstelling?
De ommezwaai riep meteen een moeilijkere vraag op: welke concrete sanctie kan het onderzoeksgerecht verbinden aan de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden? Het lijkt weinig overtuigend om enkel te zeggen dat de feitenrechter er later wel rekening mee zal houden, want tegen dan is de termijn vaak nog langer verstreken. Tegelijk is een automatische buitenvervolgingstelling op basis van termijnoverschrijding problematisch, omdat een overschrijding niets zegt over het bestaan van bezwaren. Het onderzoeksgerecht onderzoekt immers niet enkel belangen van de verdachte, maar ook of er voldoende aanwijzingen zijn om een verwijzing te verantwoorden.