In dossiers over bedrieglijk onvermogen speelt vaak een ongemakkelijke realiteit: de strafklacht wordt niet altijd ingediend om een correctionele veroordeling te bekomen. In de praktijk heeft een strafklacht geregeld een ander, veel meer pragmatisch doel: druk uitoefenen om betaling (of minstens een regeling) af te dwingen.
Dat mechanisme is begrijpelijk, maar juridisch delicaat. Begrijpelijk, omdat de burgerlijke invordering soms muurvast zit. Een schuldeiser beschikt over een titel, probeert beslag, maar botst op een schuldenaar die “op papier” niets heeft, voortdurend van werkgever wisselt, inkomsten verborgen houdt, of activa naar derden doorschuift. In zulke situaties lijkt de klassieke gerechtsdeurwaarderslogica vaak machteloos. De frustratie is groot: het recht bestaat, maar het verhaal mislukt.
Net dan wordt de strafklacht een hefboom. Alleen al het vooruitzicht van een strafrechtelijk onderzoek verandert de machtsverhouding. Plots is er het risico op verhoor, huiszoeking, inbeslagname, confrontaties, en vooral: een dossier dat kan aantonen wat civiel moeilijk te bewijzen is. Het strafrecht beschikt nu eenmaal over onderzoeksinstrumenten die de gewone burgerlijke procedure niet biedt. Een schuldenaar die zich jaren verschuilt achter ongrijpbaarheid, krijgt dan het gevoel dat het “menens” wordt.
Daarnaast speelt ook het psychologische effect. Voor veel mensen is een burgerlijk geschil abstract: een dossier, een gerechtsdeurwaarder, een briefwisseling. Een strafzaak daarentegen raakt aan reputatie, eerbaarheid en angst voor veroordeling. Dat maakt dat het strafrecht veel sneller leidt tot beweging: betaling, gedeeltelijke betaling, of minstens een onderhandelingsbereidheid die voordien volledig afwezig was.
Maar precies daar zit de spanning. Want strikt genomen hoort het strafrecht geen incassomiddel te zijn. Het strafrecht is bedoeld om maatschappelijk schadelijke fraude te sanctioneren, niet om schulden te innen. Toch ontstaat in de praktijk een grijze zone waarin de strafklacht wordt ingezet als druk op de ketel: niet primair om te straffen, maar om de schuldenaar tot betaling te brengen.
Dat leidt tot drie typische gevolgen.
Ten eerste: veel dossiers eindigen zonder echte strafuitspraak. Wanneer de schuldenaar na klacht alsnog betaalt of een regeling sluit, vermindert vaak het belang om de strafprocedure door te zetten. Het dossier dooft uit, of er volgt een seponering of buitenvervolgingstelling. Voor de schuldeiser is het doel bereikt: het geld (of een deel ervan) komt terug.
Ten tweede: het gerechtelijk apparaat wordt belast met zaken die eigenlijk een civiele oorsprong hebben. Onderzoeksdaden worden gevraagd, niet omdat de samenleving strafrechtelijke sanctionering eist, maar omdat men bewijs zoekt of druk wil opbouwen. Dat roept de vraag op hoe streng de filter moet zijn: wanneer is er sprake van echte fraude en wanneer van strategisch procederen?
Ten derde: er ontstaat het risico op een verkeerd verwachtingspatroon bij cliënten. Een strafklacht garandeert geen betaling en is geen “snelle oplossing”. Ze kan een hefboom zijn, maar alleen wanneer er reële aanwijzingen zijn van georganiseerde ongrijpbaarheid of misleiding. Zonder zulke aanwijzingen is de kans groot dat de klacht als een burgerlijk conflict wordt gezien en weinig oplevert.
De conclusie is dat de strafklacht in de praktijk wel degelijk een drukmiddel kan zijn, soms bijzonder effectief zelfs, maar dat ze enkel verantwoord is wanneer er een ernstig vermoeden bestaat van bedrieglijke manoeuvres. Waar dat vermoeden ontbreekt, verliest het instrument zijn legitimiteit en dreigt het strafrecht te verworden tot een incassokantoor.