Artikel 151 Strafwetboek (1867) en de overgang naar artikel 626 Nieuw Strafwetboek (2024): continuïteit én verruiming
Artikel 151 van het Strafwetboek van 1867 behoort tot de klassieke strafrechtelijke waarborgen tegen misbruik van openbare macht. Het artikel viseert de “daad van willekeur” die door een drager van openbaar gezag wordt bevolen of uitgevoerd en die een inbreuk vormt op door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden, wanneer geen andere strafbaarstelling voorhanden is.
Die bepaling verdwijnt echter niet zomaar uit het juridische landschap: zij wordt, voor misdrijven gepleegd vanaf 8 april 2026, vervangen door artikel 626 van het Nieuw Strafwetboek (2024). Dit is geen loutere redactionele hernummering, maar een inhoudelijke actualisering met belangrijke gevolgen voor draagwijdte, toepassingsvoorwaarden en normatieve functie.
Van artikel 151 Sw. naar artikel 626 Nieuw Strafwetboek: het behoud van het basisconcept
De kernfunctie blijft behouden: zowel artikel 151 Sw. (1867) als artikel 626 van het Nieuw Strafwetboek werken als een vangnetbepaling.
Ook in het nieuwe artikel staat centraal dat het misdrijf slechts speelt wanneer de willekeurige daad “niet strafbaar is onder een andere bepaling van dit Wetboek”. De wetgever herbevestigt dus dat men niet beoogt om naast bestaande misdrijven nog een extra strafbaarstelling te plaatsen, maar wel om lacunes te vermijden wanneer een grondrechtenschending niet door een specifieke bepaling wordt gevat.
Die restfunctie is wezenlijk. De strafbaarstelling blijft het sluitstuk tegen bestuurlijke of politionele ontsporing die grondrechten aantast, maar door haar atypisch karakter moeilijk onder een klassiek misdrijf (valsheid, geweldmisdrijven, schending van briefgeheim, e.d.) te brengen is.
Nieuwe begripsomschrijving: “willekeurige inbreuk op de grondrechten” als eigenstandig misdrijf
Artikel 626 omschrijft het misdrijf nu expliciet:
“De willekeurige inbreuk op de grondrechten is elke opzettelijk gepleegde daad van willekeur door een persoon met een openbare functie die een inbreuk maakt op de door de grondwet of door België geratificeerde verdragen gewaarborgde rechten en vrijheden en die niet strafbaar is onder een andere bepaling van dit Wetboek.”
In vergelijking met artikel 151 Sw. springen drie actualiseringen onmiddellijk in het oog.
Eerste verruiming: niet enkel Grondwet, maar ook geratificeerde verdragen
Waar artikel 151 Sw. zich richtte op rechten en vrijheden die door de Grondwet worden gewaarborgd (met de discussie of uitvoeringswetten daaronder vallen), breidt artikel 626 het beschermingsobject uit tot:
1. grondwettelijke rechten en vrijheden, én
2. rechten en vrijheden “door België geratificeerde verdragen” gewaarborgd.
Deze uitbreiding is juridisch zeer betekenisvol. De praktijk van grondrechtenbescherming is vandaag in grote mate verdragsrechtelijk bepaald (met name het EVRM en andere mensenrechteninstrumenten). Onder het oude artikel 151 Sw. was dat een knelpunt: verdragsrechten werden niet automatisch binnen het bereik geplaatst, tenzij men kon redeneren via een grondwettelijke spiegel of via uitvoeringswetgeving.
Artikel 626 doorbreekt die beperking. Voortaan kan een willekeurige inbreuk op een verdragsrecht rechtstreeks onder het misdrijf vallen, zonder dat men moet “terugplooien” op een grondwettelijke bepaling. Dit maakt de bepaling moderner en in potentie veel relevanter in dossiers waar het vooral over verdragsrechtelijke waarborgen gaat (privacy, eerlijk proces, vrije meningsuiting, lichamelijke integriteit, non-discriminatie, enz.).
Tweede verruiming/modernisering: “persoon met een openbare functie”
Artikel 151 Sw. hanteerde klassieke termen zoals “openbaar officier of ambtenaar” en “drager of agent van het openbaar gezag of de openbare macht”. In artikel 626 wordt dit geherformuleerd naar “persoon met een openbare functie”.
Die term is functioneler en past bij de evolutie van de overheid: openbare taken worden niet enkel uitgevoerd door statutaire ambtenaren, maar ook door contractuelen, autonome overheidsbedrijven, verzelfstandigde agentschappen, intercommunales, private actoren met publieke taken, enz.
De keuze voor “openbare functie” wijst erop dat de wetgever niet langer vastklikt aan het klassieke ambtenarenbegrip, maar de strafrechtelijke verantwoordelijkheid wil laten meebewegen met de realiteit van publiek-private verwevenheid.
Praktisch betekent dit dat de discussie over de precieze hoedanigheid van de dader in veel gevallen minder formalistisch zal worden, maar wel meer inhoudelijk: oefent betrokkene een publieke functie uit die grondrechten kan raken?
Derde actualisering: expliciete opzetvereiste
Artikel 626 omschrijft het als “elke opzettelijk gepleegde daad van willekeur”.
Bij artikel 151 Sw. lag de nadruk op “willekeur” als element dat minstens een bijzonder opzet veronderstelt, maar de formulering was niet expliciet “opzettelijk”. De nieuwe bepaling maakt die bedoeling duidelijker: het gaat om een opzettelijke daad, én die daad moet willekeurig zijn.
De dubbele drempel wordt dus behouden, en zelfs versterkt: niet elke fout, niet elke onbevoegdheid, niet elke onregelmatigheid is strafbaar; het moet gaan om een bewuste handeling die als willekeur kan worden gekwalificeerd.
Dit blijft cruciaal om de bepaling te verzoenen met het legaliteitsbeginsel en om te vermijden dat men gewone fouten of discussiepunten in bestuurlijke besluitvorming strafrechtelijk gaat herleiden tot “grondrechtenschending”.
De restvoorwaarde blijft: pas wanneer geen ander misdrijf past
Zowel artikel 151 Sw. als artikel 626 werken alleen wanneer de gedraging “niet strafbaar is onder een andere bepaling”.
In de praktijk is dat vaak een harde filter. In dossiers van onrechtmatig politieoptreden of misbruik van bevoegdheid bestaan immers geregeld andere strafrechtelijke aanknopingspunten (slagen, onmenselijke behandeling, bedreigingen, schending beroepsgeheim, onrechtmatige vrijheidsberoving, valsheid, enz.).
Het gevolg blijft dat artikel 626, net zoals artikel 151 Sw., een soort “noodrem” is: een sterke norm, maar ontworpen voor uitzonderlijke situaties.
Sanctie: straf van niveau 2
Artikel 151 Sw. voorzag een gevangenisstraf van vijftien dagen tot één jaar. Artikel 626 koppelt het misdrijf aan “een straf van niveau 2”.
Dat betekent dat men voortaan moet vertrekken van het nieuwe strafniveausysteem in het Nieuw Strafwetboek. In plaats van een klassieke gevangenisstrafband wordt het misdrijf in een niveau ondergebracht, met de daarbij horende modaliteiten en gradaties.
In termen van strafrechtspolitiek is dat een belangrijke modernisering: het artikel wordt geïntegreerd in de systematiek van het nieuwe wetboek en sluit aan bij een meer coherente, gecodeerde straftoemeting.
Systematische context: overgang naar “Gedragingen met het oog op het ontwrichten van de openbare dienst”
De plaatsing onder de titel/afdeling “Gedragingen met het oog op het ontwrichten van de openbare dienst” is betekenisvol. Ze suggereert dat de wetgever willekeurige grondrechtenschendingen door publieke functionarissen niet enkel ziet als schending van individuele rechten, maar ook als aantasting van het functioneren en de legitimiteit van de openbare dienst zelf.
Dat is een duidelijke beleidskeuze: willekeur door de overheid schaadt niet enkel het slachtoffer, maar ondermijnt de rechtsstaat en het vertrouwen in publieke instellingen. Het misdrijf krijgt zo een uitgesproken institutionele dimensie.
Gevolgen voor de praktijk: méér toepassingskansen, maar dezelfde hoge drempel
Door de expliciete opname van verdragsrechten verruimt het toepassingsgebied van de bepaling aanzienlijk. In theorie maakt dat vervolging eenvoudiger in dossiers waarin de kernschending zich vooral situeert op EVRM-niveau.
Maar tegelijk blijft de drempel hoog door drie cumulatieve voorwaarden:
1. opzettelijkheid,
2. willekeur (meer dan onwettigheid),
3. geen toepasselijke andere strafbepaling.
Daarom mag men verwachten dat artikel 626 niet plots een “dagelijks” vervolgingsinstrument wordt. Het blijft eerder een principiële veiligheidsklep, bedoeld voor ernstige ontsporingen van openbaar gezag die net buiten het bereik van andere strafbaarstellingen vallen.
Besluit: modernisering zonder breuk – maar met fundamentele verdragsrechtelijke verruiming
De overgang van artikel 151 Sw. (1867) naar artikel 626 van het Nieuw Strafwetboek (2024) betekent inhoudelijk vooral dit: dezelfde basisgedachte blijft overeind, maar in een hedendaagse vorm.
Het misdrijf wordt taalkundig en systematisch gemoderniseerd, de dadercategorie wordt functioneel verruimd, de opzetvereiste wordt expliciet gemaakt, en vooral: de bescherming wordt uitgebreid van louter grondwettelijke rechten naar grondwettelijke én verdragsrechtelijke rechten.
Vanaf 8 april 2026 krijgt de rechtsstaat daarmee een vernieuwd strafrechtelijk vangnet tegen willekeur, dat beter aansluit bij de actuele grondrechtencultuur in België.
Uittreksel uit het Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026)
Hoofdstuk 4. Ambtsmisdrijven
Afdeling 1. Schending van fundamentele rechten van de burgers
Art. 625. Het verzuim om op te treden tegen een wederrechtelijke vrijheidsberoving
Het verzuim om op te reden tegen een wederrechtelijke vrijheidsberoving is het opzettelijk nalaten of weigeren een wederrechtelijke vrijheidsberoving vast te stellen, aan te geven of te beëindigen door een persoon met een openbare functie.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 626. De willekeurige inbreuk op de grondrechten
De willekeurige inbreuk op de grondrechten is elke opzettelijk gepleegde daad van willekeur door een persoon met een openbare functie die een inbreuk maakt op de door de grondwet of door België geratificeerde verdragen gewaarborgde rechten en vrijheden en die niet strafbaar is onder een andere bepaling van dit Wetboek.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Afdeling 2. Gedragingen met het oog op het ontwrichten van de openbare dienst
Art. 627. Beramen van maatregelen in strijd met de geldende normen
Het beramen van maatregelen in strijd met de geldende normen is het beramen van maatregelen in strijd met de vigerende wetten of uitvoeringsbesluiten door een persoon met een openbare functie, hetzij op bijeenkomsten, hetzij via onderlinge communicatie, met kwaad opzet of met het oogmerk de openbare dienst te ontwrichten door de normale werking ervan lam te leggen.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 628. Verhinderen van de uitvoering van de geldende normen
Het verhinderen van de uitvoering van de geldende normen is het beramen van maatregelen tegen de uitvoering van een wet of een uitvoeringsbesluit door personen met een openbare functie, hetzij op bijeenkomsten, hetzij via onderlinge communicatie, met kwaad opzet of met het oogmerk de openbare dienst te ontwrichten door de normale werking ervan lam te leggen.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Afdeling 3. Aanmatiging van macht
Art. 629. Aanmatiging van macht door magistraten of leden van de politiediensten
De aanmatiging van macht door magistraten of leden van de politiediensten is de opzettelijk gepleegde wederrechtelijke inmenging door een magistraat of een lid van een politiedienst in de uitoefening van de wetgevende macht, hetzij door wetten te maken of de uitvoering ervan te stuiten of te schorsen, en in de uitvoerende macht, hetzij door verordeningen te maken, hetzij door de uitvoering van de administratieve bevelen te verbieden.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Art. 630. Aanmatiging van macht door leden van de lokale uitvoerende macht of van bestuurslichamen
De aanmatiging van macht door leden van de lokale uitvoerende macht of van bestuurslichamen is de opzettelijk gepleegde wederrechtelijke inmenging door een provinciegouverneur, arrondissementscommissaris, burgemeester of lid van een bestuurslichaam in de uitoefening van de wetgevende macht, hetzij door wetten te maken, hetzij door de uitvoering ervan te stuiten of te schorsen, dan wel door zich aan te matigen besluiten te nemen die ertoe strekken een bevel of verbod aan de hoven of rechtbanken uit te vaardigen.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Afdeling 4. Misbruik van gezag
Art. 631. Onwettig vorderen of bevelen van de openbare macht
§ 1. Het onwettig vorderen of bevelen van de openbare macht is het opzettelijk vorderen of bevelen door een persoon met een openbare functie van het optreden van de openbare macht, tegen de uitvoering van een wet of van een uitvoeringsbesluit, tegen de inning van een wettelijk ingevoerde belasting of tegen de uitvoering van een rechterlijke beschikking of bevel, of van enig ander bevel van de overheid.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
§ 2. Indien de bevelen of vorderingen de rechtstreekse oorzaak zijn van andere misdrijven, strafbaar met een straf van een zwaarder strafniveau dan het niveau bedoeld in paragraaf 1, wordt dat zwaarder strafniveau toegepast.
Art. 632. Gevolg geven aan een onwettige vordering of bevel
§ 1. Het gevolg geven aan een onwettige vordering of bevel is het opzettelijk gevolg geven aan de onwettige vordering of bevel van de openbare macht door een persoon met een openbare functie tegen de uitvoering van een wet of van een uitvoeringsbesluit, tegen de inning van een wettelijk ingevoerde belasting of tegen de uitvoering van een rechterlijke beschikking of bevel, of van enig ander bevel van de overheid.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
§ 2. Indien de bevelen of vorderingen de rechtstreekse oorzaak zijn van andere misdrijven, strafbaar met een straf van een zwaarder strafniveau dan het niveau bedoeld in paragraaf 1, wordt dat zwaarder strafniveau toegepast.
Afdeling 5. Rechtsweigering
Art. 633. Rechtsweigering
Rechtsweigering is het opzettelijk weigeren door een rechter, raadsheer of enige andere persoon belast met een rechtsprekende functie om onder enig voorwendsel het aan de partijen verschuldigde recht te spreken.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Afdeling 6. Verduistering, knevelarij en belangenneming
Art. 634. Verduistering door een persoon met een openbare functie
Verduistering is het zich door een persoon met een openbare functie met het oog op het verschaffen voor zichzelf of voor een ander van een onrechtmatig voordeel, wederrechtelijk toe-eigenen van lichamelijke of onlichamelijke roerende goederen die aan hem zijn toevertrouwd of waartoe hij uit hoofde van zijn functie toegang heeft gehad.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 635. Vernietigen of wegmaken van officiële akten, stukken of voorwerpen
Het vernietigen of wegmaken van officiële akten, stukken of voorwerpen is het door een persoon met een openbare functie met bedrieglijk opzet vernietigen of wegmaken van akten, stukken of voorwerpen waarvan hij in de hoedanigheid van zijn functie de bewaarder was, die hem zijn bezorgd of waartoe hij uit hoofde van zijn functie toegang heeft gehad.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 636. Knevelarij
Knevelarij is het opzettelijk door een persoon met een openbare functie bevel geven om rechten of gelden te innen of die te vorderen of te ontvangen wetende dat zij niet verschuldigd zijn of het verschuldigde te boven gaan.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 637. Belangenneming
§ 1. Belangenneming is het opzettelijk door een persoon met een openbare functie hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenpersonen of door schijnhandelingen enig belang nemen of aanvaarden in de verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken in regie waarover hij ten tijde van de handeling geheel of deels het beheer of het toezicht had of het, belast met het bevel of de machtiging tot betaling of de vereffening van de zaak, daarin enig belang nemen.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
§ 2. Deze bepaling is niet van toepassing op de dader die, hoewel hij in het kader van zijn functie zijn private belangen heeft bevorderd, openlijk handelde en volgens de publieke belangen die hij diende te beschermen en waarbij hij aan deze publieke belangen op geen enkele manier afbreuk deed.
Afdeling 7. Publieke omkoping
Art. 638. Publieke omkoping
§ 1. Publieke omkoping is het opzettelijk
1° door een persoon met een openbare functie rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of voor een derde een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook vragen, aannemen of ontvangen, of;
2° rechtstreeks of door tussenpersonen aan een persoon met een openbare functie een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook voor zichzelf of voor een derde doen.
§ 2. Deze gedraging is strafbaar indien zij wordt gesteld met als doel een persoon met een openbare functie:
1° een rechtmatige maar niet aan betaling onderworpen handeling van zijn functie te laten verrichten;
2° de echte of vermeende invloed waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikt om een handeling van een openbare overheid of een openbaar bestuur of het nalaten van die handeling te verkrijgen te laten misbruiken;
3° een onrechtmatige handeling naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie of het nalaten van een handeling die tot zijn ambtsplichten behoort, te laten verrichten;
4° een misdrijf naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie te laten plegen.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
§ 3. Voor de toepassing van deze bepaling wordt gelijkgesteld met een persoon met een openbare functie:
1° een persoon met een openbare functie in een vreemde Staat of in een internationale publiekrechtelijke organisatie;
2° elke persoon die zich kandidaat heeft gesteld voor een dergelijke functie, die doet geloven een dergelijke functie te zullen uitoefenen of die, door gebruik te maken van valse hoedanigheden, doet geloven een dergelijke functie uit te oefenen;
3° een arbiter.
Art. 639. Bijkomende straf
In afwijking van artikel 52 is het maximumbedrag van de geldboete:
- voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 1° en 2° : 80.000 euro;
- voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 3° : 400.000 euro;
- voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 4° : 600.000 euro.
Het maximumbedrag van de geldboete wordt verder verhoogd indien de persoon met een openbare functie:
1° de invloed waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikte, effectief heeft aangewend;
2° de onrechtmatige handeling heeft verricht of nagelaten heeft een handeling te verrichten die tot zijn ambtsplichten behoort;
3° een lid van de politiediensten, een magistraat, een juridisch medewerker van een rechtscollege of het openbaar ministerie of een jurylid is;
4° een persoon met een openbare functie in een vreemde Staat of in een internationale publiekrechtelijke organisatie is.
In deze gevallen is het maximumbedrag van de geldboete:
- voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 1° en 2° : 200.000 euro;
- voor de feiten bedoeld in artikel 638, § 2, eerste lid, 3° : 600.000 euro;
- voor de feiten bedoeld onder artikel 638, § 2, eerste lid, 4° : 800.000 euro.
Afdeling 8. Misdrijven met betrekking tot het houden van de akten van de burgerlijke stand
Art. 640. Inbreuk op de formele verplichtingen van de ambtenaar van de burgerlijke stand
De inbreuk op de formele verplichtingen van de ambtenaar van de burgerlijke stand is elke opzettelijk gepleegde overtreding van een van de bepalingen van titel 2 van boek I van het oud Burgerlijk Wetboek door een ambtenaar van de burgerlijke stand.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 641. Voltrekking van een huwelijk zonder voorafgaande toestemming
De voltrekking van een huwelijk zonder voorafgaande toestemming is het opzettelijk voltrekken van een huwelijk door een ambtenaar van de burgerlijke stand, zonder dat deze zich voorafgaand vergewist heeft van de vereiste toestemming.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Art. 642. Voltrekking van het religieuze huwelijk of van het niet-confessionele huwelijk vóór de voltrekking van het burgerlijk huwelijk
De voltrekking van het religieuze huwelijk of van het niet-confessionele huwelijk vóór de voltrekking van het burgerlijk huwelijk bestaat erin dat een bedienaar van de erediensten of een afgevaardigde die morele diensten verleent op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing het religieuze huwelijk of het niet-confessionele huwelijk opzettelijk voltrekt vóór de voltrekking van het burgerlijk huwelijk.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
Afdeling 9. Algemene bepaling
Art. 643. Strafuitsluitende verschoningsgrond
De gedragingen in dit hoofdstuk worden niet bestraft indien de persoon met een openbare functie die een niet-manifest onrechtmatig bevel uitvoert, heeft gehandeld op bevel van zijn meerderen, in zaken die tot hun bevoegdheid behoren en waarin hij zijn meerderen als ondergeschikte gehoorzaamheid verschuldigd was.