De algemene zorgvuldigheidsnorm bedoeld bij artikel 1383 oud B.W. (art. 6.5-6.6 (nieuw) BW) vereist meer bepaald dat men zijn handelwijze niet alleen bepaalt in functie van het eigen belang, maar dat men tevens voorzorgen neemt om schade aan andermans persoon of goederen te voorkomen.
De vraag welke mate van voorzorg men moet in acht nemen om anderen niet te schaden, wordt daarbij beantwoord aan de hand van de abstracte vergelijking van de gedraging van de betrokkene met de veronderstelde gedragswijze van een normaal zorgvuldig en omzichtig persoon (de goede huisvader) geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden.
Fout is er zodra er een afwijking is van de veronderstelde gedraging van de goede huisvader (vgl. Cass. 26 juni 1998, Arr. Cass. 1998, 773).
De fout/onzorgvuldigheid waarvoor een schadeverwekker op basis van de artikelen 1382-1383 oud B.W. aansprakelijk kan zijn, bestaat in een gedraging die,
• ofwel, behoudens onoverwinnelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een rechtsnorm, waarbij de betrokkene verplicht is iets niet te doen of iets op bepaalde manier wel te doen (artikel 1382 oud B.W.)
• ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van de normaal zorgvuldige en omzichtige persoon, die in dezelfde concrete omstandigheden verkeert (artikel 1383 oud B.W.).
De algemene zorgvuldigheidsnorm vormt één van de hoekstenen van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. Wie schade veroorzaakt door onzorgvuldig gedrag, is in beginsel gehouden tot herstel ervan. Die aansprakelijkheid veronderstelt een fout, waarvan het begrip door de wetgever niet nader is omschreven maar in de rechtspraak en rechtsleer een vaste invulling heeft gekregen. Traditioneel wordt aangenomen dat het foutbegrip zowel een subjectief als een objectief element omvat. Het subjectieve element betreft de toerekenbaarheid van het gedrag, terwijl het objectieve element inhoudt dat het gedrag wordt getoetst aan dat van een normaal zorgvuldig en omzichtig persoon.
Deze toetsing gebeurt in abstracto. Het gedrag van de schadeverwekker wordt vergeleken met dat van de zogeheten bonus pater familias, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Die omstandigheden worden daarbij in beginsel beperkt tot externe, feitelijke factoren zoals plaats, tijdstip en concrete context van het schadegeval. Interne kenmerken van de dader, zoals leeftijd, ervaring, intelligentie of medische toestand, zouden daarbij geen rol mogen spelen. Die abstracte benadering beoogt onder meer te vermijden dat de foutbeoordeling wordt gekleurd door een beoordeling achteraf of door moeilijk objectiveerbare persoonlijke kenmerken.
Concretisering van de abstracte norm
Hoewel de zorgvuldigheidsnorm abstract is, wordt zij noodzakelijkerwijs geconcretiseerd. De rechter moet rekening houden met de feitelijke omstandigheden waarin het gedrag zich heeft voorgedaan, om te vermijden dat de beoordeling louter theoretisch blijft. Die concretisering tast het abstracte karakter van de norm niet aan, zolang zij beperkt blijft tot externe omstandigheden en niet leidt tot een beoordeling op maat van de persoon van de schadeverwekker.
Ook het vereiste van voorzienbaarheid van schade past in dit kader. De fout veronderstelt dat het ontstaan van enige schade redelijkerwijze voorzienbaar was, zonder dat vereist is dat de precieze aard of omvang van de schade kon worden voorspeld. Het volstaat dat de dader kon voorzien dat zijn gedrag schade kon veroorzaken.
Beroepsbekwaamheid en professionele standaarden
In de rechtspraak wordt al geruime tijd aanvaard dat bij de beoordeling van professioneel handelen rekening mag worden gehouden met de beroepsstandaard. Het gedrag van een beroepsbeoefenaar wordt getoetst aan dat van een normaal zorgvuldig persoon die dezelfde professionele activiteit uitoefent. Zo wordt het handelen van een arts beoordeeld volgens de norm van een normaal zorgvuldig arts binnen dezelfde specialisatie.
Deze benadering wordt doorgaans niet als een subjectivering van de zorgvuldigheidsnorm beschouwd. De strengere norm vloeit niet voort uit de persoonlijke hoedanigheid van de dader, maar uit de aard van de activiteit die hij uitoefent. De hogere zorgvuldigheidseis geldt voor iedereen die zich in die professionele context begeeft, ongeacht persoonlijke ervaring of bekwaamheid.
Problematischer wordt het wanneer professionele kennis of ervaring wordt meegewogen bij de beoordeling van niet-professioneel gedrag. In dat geval lijkt de rechter de zorgvuldigheidsnorm wel degelijk te verankeren in interne kenmerken van de persoon, wat spanning oproept met het klassieke abstracte uitgangspunt.
Let wel
Voor de feiten die zich voordoen vanaf 1 januari 2025 is boek 6 van het Burgerlijk wetboek van kracht. Deze bepalingen worden hierna weergegeven, gevolgd door de bepalingen van het oud BW waarvan de bepalingen van kracht blijven voor feiten voorafgaand aan 1 januari 2025.
Art. 6.6 (nieuw) BW Definitie fout
§ 1 De fout bestaat uit de schending van een wettelijke regel die een bepaald gedrag oplegt of verbiedt of van de algemene zorgvuldigheidsnorm die geldt in het maatschappelijk verkeer.
§ 2 De algemene zorgvuldigheidsnorm vereist een gedrag dat overeenkomt met dat van een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.
Bij de toepassing ervan kan onder meer rekening gehouden worden met:
1° de redelijkerwijze voorzienbare gevolgen van het gedrag;
2° de evenredigheid van het risico dat de schade zich voordoet, haar aard en haar omvang ten opzichte van de inspanningen en maatregelen nodig om haar te vermijden;
3° de stand van de techniek en van de wetenschappelijke kennis;
4° de eisen van goed vakmanschap en goede beroepspraktijken;
5° de beginselen van goed bestuur en goede organisatie.
Art. 6.7 (nieuw) BW Overmacht
Er is overmacht wanneer het onmogelijk is de toepasselijke gedragsregel na te leven.
De persoon die zich in de onmogelijkheid bevindt de toepasselijke gedragsregel na te leven is niet aansprakelijk op grond van artikel 6.5, tenzij deze onmogelijkheid te wijten is aan zijn fout.
Bij de beoordeling van deze onmogelijkheid wordt rekening gehouden met het onvoorzienbare of onvermijdbare karakter van het feit dat de naleving van de regel verhindert.
Art. 6.8 (nieuw) BW Andere gronden van uitsluiting van aansprakelijkheid voor fout
De persoon die de toepasselijke gedragsregel niet naleeft, is niet aansprakelijk op grond van artikel 6.5:
1° wanneer hij een onoverwinnelijke dwaling begaat, in feite of in rechte;
2° wanneer hij ingevolge fysieke of psychische dwang onmogelijk de in de wet bepaalde gedragsregels kan naleven;
3° wanneer een noodtoestand hem ertoe brengt een belang te vrijwaren dat aan een ernstig en dreigend gevaar is blootgesteld en waarvan de waarde hoger is dan het belang dat hij prijsgeeft;
4° wanneer hij handelt op grond van een bevel van de wet of van de overheid, tenzij dit bevel klaarblijkelijk onwettig is;
5° wanneer hij handelt uit wettige verdediging doordat een verweer noodzakelijk is ingevolge een onrechtmatige aantasting van zijn fysieke integriteit of een acute dreiging hiervan en dit verweer proportioneel is aan deze aantasting of dreiging;
6° wanneer de benadeelde geldig heeft toegestemd in de aantasting van belangen waarover deze kon beschikken.
Art. 6.9 (nieuw) BW Minderjarigen van minder dan twaalf jaar
De minderjarige van minder dan twaalf jaar is niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door zijn fout of door een ander tot aansprakelijkheid leidend feit.
Art. 6.10 (nieuw) BW Minderjarigen van twaalf jaar of meer
De minderjarige van twaalf jaar of meer is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door zijn fout of door een ander tot aansprakelijkheid leidend feit.
De rechter kan echter oordelen dat de minderjarige geen schadeloosstelling verschuldigd is of de door hem verschuldigde schadeloosstelling beperken. Hij doet uitspraak naar billijkheid, rekening houdend met de omstandigheden en met de economische en financiële toestand van de partijen.
Wanneer de aansprakelijkheid van de minderjarige gedekt is door een verzekeringsovereenkomst, kan de rechter niet oordelen dat geen schadeloosstelling verschuldigd is, noch deze beperken tot een bedrag dat lager is dan dat waarvoor deze verzekeringsovereenkomst dekking verleent.
Art. 6.11 (nieuw) BW Personen met een geestesstoornis
De persoon die lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast, is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door zijn fout of door een ander tot aansprakelijkheid leidend feit.
De rechter kan echter oordelen dat die persoon geen schadeloosstelling verschuldigd is of deze beperken op de wijze bepaald in artikel 6.10, tweede lid, rekening houdend met artikel 6.10, derde lid.
Art. 6.12 (nieuw) BW Aansprakelijkheid van titularissen van het gezag over de persoon van minderjarigen
Ouders, adoptanten, voogden en pleegzorgers, voor zover zij het gezag hebben over de persoon van een minderjarige van minder dan zestien jaar, zijn foutloos aansprakelijk voor de schade die deze laatste door zijn fout of door een ander tot aansprakelijkheid leidend feit veroorzaakt aan derden.
Ouders, adoptanten, voogden en pleegzorgers, voor zover zij het gezag hebben over de persoon van een minderjarige van zestien jaar of meer, zijn aansprakelijk voor de schade die deze laatste door zijn fout of door een ander tot aansprakelijkheid leidend feit veroorzaakt aan derden. Zij zijn niet aansprakelijk indien zij aantonen dat de schade niet te wijten is aan een fout van hun kant.
Art. 6.13 (nieuw) BW Aansprakelijkheid van personen belast met het toezicht op anderen
De persoon die op grond van een wettelijke of reglementaire bepaling, een gerechtelijke of administratieve beslissing of een contract ermee belast is op globale en duurzame wijze de levenswijze van andere personen te organiseren en te controleren, is aansprakelijk voor de schade die deze laatsten door hun fout of een ander tot aansprakelijkheid leidend feit veroorzaken aan derden terwijl zij onder zijn toezicht staan. Hij is niet aansprakelijk indien hij aantoont dat de schade niet te wijten is aan een fout in het toezicht van zijn kant.
Een onderwijsinstelling is aansprakelijk voor de schade die haar leerlingen door hun fout of een ander tot aansprakelijkheid leidend feit veroorzaken aan derden terwijl zij onder haar toezicht staan. Zij is niet aansprakelijk indien zij aantoont dat de schade niet te wijten is aan een fout in het toezicht van haar kant.
Art. 6.14 (nieuw) BW Aansprakelijkheid van de aansteller
§ 1 De aansteller is foutloos aansprakelijk voor de schade door zijn aangestelde aan derden veroorzaakt tijdens en naar aanleiding van de uitoefening van zijn functie, als gevolg van zijn fout of een ander tot aansprakelijkheid leidend feit.
De aansteller is de persoon die voor eigen rekening in feite gezag over en toezicht op het gedrag van een ander kan uitoefenen.
§ 2 De rechtspersoon van publiek recht is foutloos aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door zijn personeelsleden aan derden tijdens en naar aanleiding van de uitoefening van hun functie, als gevolg van hun fout of een ander tot aansprakelijkheid leidend feit, ook wanneer de toestand van deze personeelsleden statutair is geregeld of zij gehandeld hebben in de uitoefening van de openbare macht.
Art. 6.15 (nieuw) BW Aansprakelijkheid van rechtspersonen voor hun bestuursorganen en de leden ervan
De rechtspersoon van privaat recht is foutloos aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door zijn bestuursorganen of door de leden, in rechte of in feite, van die organen aan derden tijdens en naar aanleiding van de uitoefening van hun functie, als gevolg van hun fout of een ander tot aansprakelijkheid leidend feit.
De rechtspersoon van publiek recht is foutloos aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door zijn organen of de leden van zijn organen die geen deel uitmaken van zijn personeel aan derden tijdens en naar aanleiding van de uitoefening van hun functie, als gevolg van hun fout of een ander tot aansprakelijkheid leidend feit.