Detentieschade is de schade die zowel de veroordeelde als derden (kunnen) ondervinden als gevolg van de detentie. De schade kan betrekking hebben op diverse levensomstandigheden, zoals de psychische en lichamelijke gezondheid van (ex-)gedetineerden, de sociaaleconomische positie van (ex-)gedetineerden, het welzijn van partners, kinderen, ... van (ex-)gedetineerden, ...
De detentieschade (sociaal, professioneel en familiaal isolement, ziektebeelden,…) treedt wel degelijk op ook bij de korte gevangenisstraffen.
De uitsluitingsprocessen zijn trouwens het meest uitgesproken in het begin van de detentie. In dit verband heeft Nederlands onderzoek reeds uitgewezen dat de situatie van de meeste kortgestraften na het uitzitten van hun vrijheidsstraf verslechterd was.
Het moet worden beklemtoond dat het bestrijden van de detentieschade één van de pijlers betreft van de Basiswet Gevangeniswezen. Wanneer men de focus zou leggen op het strafdoel van de vergelding, rijst de vraag of het leed en de schade die deze gevangenisstraf met zich meebrengen wel proportioneel zijn.
Ook heeft onderzoek uitgewezen dat van de korte gevangenisstraffen geen preventieve werking bleek uit te gaan, wat het strafdoel van de afschrikking op de helling zet.
De korte gevangenisstraf kent zelfs een negatieve weerslag op de recidivecijfers. Zo werd aangetoond dat de korte gevangenisstraf geen positieve impact heeft op het zelfbeeld van de gedetineerde, wat nefast is voor het verminderen van recidive. Onderzoek toont zelfs aan dat de recidivecijfers hoger liggen bij korte gevangenisstraffen.
Studies toonden aan dat van korte gevangenisstraffen (minder dan twee jaar gevangenisstraf) geen afschrikwekkende werking uitgaat.
Andere studies geven aan dat er op het gebied van recidive geen significant verschil bestaat tussen zij die veroordeeld zijn tot een vrijheidsstraf met uitstel en zij die een korte gevangenisstraf moeten uitzitten.
Wat de vergelijking betreft tussen de gemeenschapsdienst en de korte gevangenisstraf hebben studies aangetoond dat de recidivegraad significant hoger ligt t.a.v. veroordeelden tot een korte vrijheidsstraf. In dezelfde lijn ligt het onderzoek waaruit blijkt dat de rehabilitatie significant beter verloopt voor zij die veroordeeld zijn tot een gemeenschapsdienst.
Wanneer we de verschillende onderzoeken bundelen, kunnen we stellen dat aan de korte gevangenisstraf de rechtvaardiging van “sharp short shock” wordt ontnomen.