Art. 465 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) Diefstal zonder geweld of bedreiging stelt:
“Diefstal zonder geweld of bedreiging wordt bestraft met een straf van niveau 2.”
Commentaar:
Diefstal zonder geweld of bedreiging
Het leek voor de wetgever van het Sw. 2024 van wezenlijk belang om een duidelijk onderscheid te behouden tussen, enerzijds, de diefstallen gepleegd zonder geweld of bedreiging en, anderzijds, de diefstallen gepleegd met geweld of bedreiging en de afpersingen. Wanneer geweld of bedreiging wordt gebruikt, riskeert de weerslag op de slachtoffers en het ondergane trauma immers veel groter te zijn.
Het gaat hier om diefstal gepleegd zonder geweld of bedreiging, maar die ook niet werd gepleegd in een private bewoonde ruimte.
Teneinde de verschillende diefstallen te kunnen rangschikken en de diefstal zonder geweld of bedreiging te onderscheiden van degene gepleegd in een private bewoonde ruimte of gepleegd met geweld of bedreiging, werd voor de diefstal zonder geweld of bedreiging in een straf van niveau 2 voorzien. Er moet worden opgemerkt dat in geval van herhaling of samenloop van verschillende diefstallen een straf van niveau 3 kan worden uitgesproken.
Krachtens artikel 52, § 1, tweede lid, van Boek I van het Strafwetboek 2024 kan een geldboete worden uitgesproken als bijkomende straf.
Art. 466 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) Verzwaarde diefstal zonder geweld of bedreiging stelt:
“Diefstal zonder geweld of bedreiging wordt bestraft met een straf van niveau 3 indien:
1° de dader een niet voor het publiek toegankelijke plaats is binnengedrongen om de diefstal te plegen, terwijl hij moest vermoeden dat zich daar een of meer personen bevonden;
2° de diefstal werd gepleegd ten nadele van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand;
3° de daders of een van hen een valse identiteit of hoedanigheid hebben aangenomen of een vals bevel van het openbaar gezag hebben ingeroepen;
4° het misdrijf werd gepleegd bij nacht.”
Commentaar:
Deze bepaling in het Sw. 2024 strekt ten eerste ertoe een nieuw verzwarend bestanddeel in te voeren dat erin bestaat dat de dader van de diefstal een niet voor het publiek toegankelijke plaats binnendringt, terwijl hij moest vermoeden dat zich aldaar een of meer personen bevonden.
Op vermetele wijze aarzelen dieven steeds minder vaak om binnen te dringen in een woning terwijl zij kunnen vermoeden dat de bewoners zich aldaar bevinden, waarbij zij bereid zijn om het risico te nemen dat zij een rechtstreekse confrontatie met hen aangaan die, in voorkomend geval, kan ontaarden in geweld of bedreiging of zelfs ernstigere feiten. Bovendien is het bijzonder traumatiserend voor de slachtoffers om te weten dat dieven zijn binnengedrongen in hun woning terwijl zij zich aldaar bevonden, of erger, om fysiek te worden geconfronteerd met dieven aan het werk in hun privéruimte. Daarom werd in het Sw. 2024 dat soort diefstal strenger bestraft zonder bovendien te vereisen dat effectief geweld of dreiging zou zijn gebruikt. Dat verzwarend bestanddeel vervangt de verzwarende omstandigheid van braak, inklimming of valse sleutels onder de gelding van het Sw. 1867.
De bepaling behoudt eveneens drie andere omstandigheden als verzwarende bestanddelen van de diefstal gepleegd zonder geweld of bedreiging, te weten wanneer de diefstal wordt gepleegd jegens een minderjarige persoon of een persoon in een kwetsbare toestand of indien de daders of een van hen een valse identiteit of valse hoedanigheid hebben aangenomen of wanneer zij een vals bevel van het openbaar gezag inroepen. De keuze werd gemaakt om zich niet te beperken tot de titel van openbaar ambtenaar, maar om enige (valse) hoedanigheid of identiteit te beogen die van die aard is dat het vertrouwen van het slachtoffer wordt misleid (bijvoorbeeld een persoon die zich uitgeeft voor een werknemer van de watermaatschappij). De valse hoedanigheid kan het gevolg zijn van het gebruik van uniformen of insignes die de dader van de feiten draagt.
Daarnaast wordt er in het Sw. 2024 ook voor gekozen om naar analogie met de brandstichting de omstandigheid dat de diefstal bij nacht werd gepleegd (zoals gedefinieerd in de voorafgaande titel) een verzwarend bestanddeel te laten uitmaken bij de diefstal zonder geweld of bedreiging.
De straf waarin is voorzien is een straf van niveau 3. Er moet worden opgemerkt dat in geval van herhaling of samenloop van verschillende diefstallen van dat soort een straf van niveau 4 kan worden uitgesproken.
Art. 467 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) Diefstal met geweld of bedreiging stelt:
“Diefstal met geweld of bedreiging wordt bestraft met een straf van niveau 3.”
Commentaar:
Het gebruik van geweld of bedreiging bij het plegen van de diefstal houdt zeker een verzwarend bestanddeel van de diefstal in.
Met het oog op vereenvoudiging heeft het Sw. 2024 het feit dat geweld of bedreiging wordt gebruikt voor, tijdens of na het bedrieglijk wegnemen van het goed van een ander als zonder invloed beschouwd: het volstaat dat het geweld of de bedreiging in lijn ligt met het plegen van het misdrijf of de voltooiing ervan. Dat omvat dan ook de situatie waarin geweld of bedreiging wordt gebruikt om in het bezit te blijven van weggenomen voorwerpen of om de vlucht te verzekeren onmiddellijk na het wanbedrijf.
Daarom werd in het Sw. 2024 de terminologie licht aangepast: “diefstal met geweld of bedreiging” en niet meer “diefstal door middel van geweld of bedreiging” en wordt in het Sw. 2024 de bepaling in artikel 469 van het Strafwetboek geschrapt.
Geweld moet worden verstaan als handelingen van fysieke of psychische dwang op personen. Bedreiging moet worden verstaan als “alle middelen van morele dwang waardoor vrees voor een dreigend kwaad wordt verwekt”.
Diefstal met geweld of bedreiging wordt bestraft met een straf van niveau 3. Daarnaast kan een geldboete worden uitgesproken als bijkomende straf krachtens artikel 52, § 1, tweede lid, van Boek I van het Sw. 2024.
Art. 469 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) Verzwaarde diefstal met geweld of bedreiging en verzwaarde afpersing stelt:
“§ 1. Diefstal met geweld of bedreiging en afpersing worden bestraft met een straf van niveau 4 indien:
1° de daders of een van hen een valse identiteit of hoedanigheid hebben aangenomen of een vals bevel van het openbaar gezag hebben ingeroepen;
2° het misdrijf werd gepleegd bij nacht;
3° het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen;
4° het misdrijf werd gepleegd ten nadele van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand.
§ 2. Diefstal met geweld of bedreiging en afpersing worden bestraft met een straf van niveau 5 indien:
1° wapens of op wapens gelijkende voorwerpen werden gebruikt of getoond, of indien de schuldige deed geloven dat hij gewapend was;
2° de schuldige, om het misdrijf te plegen of zijn vlucht te verzekeren, gebruik heeft gemaakt van weerloos makende of giftige stoffen;
3° het geweld of de bedreiging een integriteitsaantasting van de derde graad heeft veroorzaakt.
§ 3. Diefstal met geweld of bedreiging, afpersing en de poging om die misdrijven te plegen worden bestraft met een straf van niveau 6 indien:
1° de persoon aan foltering werd onderworpen;
2° het geweld of de bedreiging de dood tot gevolg heeft, zonder dat het misdrijf werd gepleegd met het oogmerk om te doden.”
Commentaar:
Verschillende omstandigheden die onder de gelding van het Sw. 1867 als verzwarende omstandigheden van de diefstal met geweld of bedreiging of afpersing worden beschouwd, werden in het Sw. 2024 behouden als verzwarende bestanddelen die de toepassing van een straf van een hoger niveau rechtvaardigen. De andere omstandigheden die onder de gelding van het Sw. 1867 worden beoogd in de bepalingen inzake diefstallen en afpersingen worden hernomen als verzwarende factoren (cf. infra).
De bepaling in het Sw. 2024 klasseert de verzwarende bestanddelen die de diefstallen met geweld of bedreiging of de afpersing kunnen verzwaren, volgens de graad van verzwaring van de straf waarin is voorzien. Er wordt in het Sw. 2024 afgezien van de verzwaring van de straf onder gelding van het Sw. 1867 waarin is voorzien in geval van cumulatie van verzwarende omstandigheden zoals degene beoogd in artikel 471 van het Strafwetboek 1867, aangezien die verzwaring vaak niet gerechtvaardigd is op praktisch vlak.
Zo wordt in een straf van niveau 4 voorzien wanneer de diefstal met geweld of bedreiging of de afpersing werd gepleegd:
— door daders of een van hen die een valse identiteit of hoedanigheid hebben aangenomen of een vals bevel van het openbaar gezag hebben ingeroepen;
— bij nacht;
— door twee of meer personen;
— ten nadele van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand. Een straf van niveau 5 bestraft de diefstal met geweld of bedreiging of de afpersing gepleegd onder één van de volgende situaties:
— indien wapens of op wapens gelijkende voorwerpen worden gebruikt of getoond, of indien de schuldige deed geloven dat hij gewapend was;
— indien de schuldige, om het misdrijf te plegen of zijn vlucht te verzekeren, gebruik maakte van weerloos makende of giftige stoffen;
— indien het geweld of de bedreiging een integriteitsaantasting van de derde graad heeft veroorzaakt (een dergelijke aantasting wordt gedefinieerd in de voorafgaande titel van Boek II).
Tot slot wordt in een straf van niveau 6 voorzien wanneer de diefstal met geweld of bedreiging, de afpersing en de poging om die misdrijven te plegen, werd gepleegd onder één van de volgende verzwarende bestanddelen:
— indien de persoon aan foltering werd onderworpen (de straf van niveau 6 is van toepassing ongeacht de andere omstandigheden waarmee de diefstal met geweld of afpersing gepaard gaat);
— indien het geweld of de bedreiging de dood tot gevolg heeft, zonder dat het misdrijf werd gepleegd met het oogmerk om te doden.
Indien deze verzwarende bestanddelen aanwezig zijn, wordt de poging tot diefstal gelijkgesteld aan het voltooide misdrijf, zoals is bepaald in het artikel 476 van het Strafwetboek 1867.
In al die gevallen kan de rechter eveneens een geldboete uitspreken als bijkomende straf (art. 52, § 1, tweede lid, Boek I, van dit wetboek).
Er moet worden opgemerkt dat de (roofmoord) doodslag gepleegd om de diefstal of de afpersing te vergemakkelijken of om de straffeloosheid ervan te verzekeren, onder de gelding van het Sw. 2024 wordt behandeld bij de misdrijven tegen de personen (misdrijven tegen het leven).
Art. 474 Sw. 2024 (Inwerkintreding 8 april 2026) Verzwarende factoren van diefstal en afpersing stelt:
“Bij de keuze van de straf of maatregel en de zwaarte ervan voor een in deze afdeling bedoeld misdrijf neemt de rechter in overweging dat:
1° het misdrijf werd gepleegd ten nadele van de werkgever van de dader;
2° het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie;
3° de dader een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig heeft gebruikt, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren;
4° het misdrijf werd gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer.”
Commentaar:
De verzwarende omstandigheden die diefstal en afpersing kunnen verzwaren, maar niet zijn behouden als verzwarende bestanddelen, worden hier opgenomen als factoren waarmee de rechter rekening moet houden bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan.
Het gaat om de volgende factoren:
— het misdrijf werd gepleegd ten nadele van de werkgever van de dader;
— het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie;
— de dader een voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven tuig heeft gebruikt, om het misdrijf te vergemakkelijken of zijn vlucht te verzekeren;
— het misdrijf werd gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer.
Met het oog op vereenvoudiging in het Sw. 2024 wordt afgezien van de verzwarende omstandigheid dat de diefstal werd gepleegd door middel van braak, inklimming of valse sleutels en wordt die voor de diefstal zonder geweld of bedreiging vervangen door het verzwarende bestanddeel dat bestaat uit de binnendringing in een private bewoonde ruimte.
De benadering van de diefstal met geweld onder de gelding van de het Strafwetboek 1867
Hij die een zaak die hem niet toebehoort, bedrieglijk wegneemt, is schuldig aan diefstal.
Geweld en bedreiging om een diefstal te plegen zijn objectief verzwarende omstandigheden.
Onder geweld verstaat de wet daden van fysieke dwang gepleegd op personen.
Onder bedreiging verstaat de wet alle middelen van morele dwang door het verwekken van vrees voor een dreigend kwaad. (art. 483 Strafwetboek 1867:)
De wet bepaalt de mate niet van de fysieke dwang die op het slachtoffer van een diefstal door middel van geweld wordt uitgeoefend, zodat ook licht geweld een verzwarende omstandigheid kan zijn.
Met diefstal gepleegd door middel van geweld of bedreiging wordt gelijkgesteld het geval waarin de dief op heterdaad betrapt wordt en geweld of bedreigingen gebruikt hetzij om in het bezit van de weggenomen voorwerpen te kunnen blijven, hetzij om zijn vlucht te verzekeren (Art. 469. Strafwetboek 1867).
Dit misdrijf mag niet verward het geval waarbij de betrapte dief, geïrriteerd door de betrapping, geweld of bedreiging gebruikt zonder het doel om in het bezit te blijven van het gestolene of om te kunnen vluchten.
Zo maakt de betrapte dief bij een winkeldiefstal zich niet bijkomend schuldig aan het misdrijf voorzien in art. 469 Sw.1867door bij het wachten aan de kassa op de politie daar tumult te maken zonder de bedoeling te vluchten of in het bezit van de goederen te blijven.