Een indiciaire taxatie is een aanslag op basis van tekenen en indiciën (zoals voorzien in art. 341 WIB ’92), lees op basis van de uitgaven en de levensstijl van de belastingsplichtige, waarbij wordt verondersteld dat een belastingsplichtige zijn uitgaven aanpast aan zijn inkomsten.
Aldus gaat de fiscus de inkomsten gaan bepalen of herwaarderen op basis van (veronderstelde) uitgaven.
Als de uitgaven de (belastbare) inkomsten overstijgen, heeft de fiscus het recht dit verschil (indiciair tekort geheten) te belasten.
Artikel 341 stelt dat de ‘raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, behoudens tegenbewijs, mag worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten’.
Tekenen en indiciën mogen worden bewezen met alle middelen van recht, met inbegrip van vermoedens en met uitzondering van de eed.
Hierbij kan verwezen worden naar de Circulaire van 29 juli 2002 - Circulaire nr. Ci.RH.81/548.628 (AOIF 21/2002) dd. 29.07.20022, waarin ondermeer wordt gesteld:
Een regelmatig opgestelde en ingediende aangifte is geloofwaardig tot het tegenbewijs. De bewijskracht ervan berust op een vermoeden van juistheid. Om van de aangifte van de belastingplichtige te mogen afwijken moet de administratie de aangegeven inkomsten en andere gegevens "onjuist bevinden".
De bewijslast rust hierbij in principe op de administratie. Dat betekent dat de administratie de inkomsten en de andere gegevens die zij in de plaats stelt van die welke door de belastingplichtige zijn aangegeven, moet bepalen door gebruik te maken van de haar door de wet ter beschikking gestelde bewijsmiddelen.
Het beroep op feitelijk vermoedens vereist dat de feiten of elementen die als grondslag dienen voor het feitelijk vermoeden, bekend en zeker moeten zijn en op wettelijke wijze zijn aangetoond. Een vermoeden (zelfs wettelijk gevestigd) kan nooit het bekende feit of element zijn waarop een nieuw vermoeden zou kunnen worden gesteund.
De ambtenaar die feitelijke vermoedens aanvoert, moet uit de bekende en vaststaande feiten waarover hij beschikt het onbekend feit dat hij wil aantonen, afleiden. Die redenering moet logisch zijn en mag geen aanleiding geven tot tegenspraak.
In geval van raming van de belastbare grondslag volgens tekenen en indiciën, mag niet uit het oog worden verloren dat, alhoewel het mogelijk is van de belastingplichtige alle inlichtingen te vorderen met het oog op het onderzoek van zijn belastingtoestand, het aan de taxatieambtenaar behoort, zonder de belastingplichtige daarbij te betrekken, deze tekenen en indiciën op te sommen die de onontbeerlijke grondslag vormen van een dergelijke aanslag, met dien verstande evenwel dat de medewerking van de belastingplichtige bij de vaststelling van zijn "indiciaire toestand" dikwijls toelaat tot een objectievere en juistere berekening te komen.
De raming van de inkomsten via vergelijking vereist de afwezigheid van bewijskrachtige bescheiden (voorafgaand aan de taxatie vast te stellen en niet in de latere fase van het administratief of gerechtelijk geschil), het aantal (tenminste 3) en de soortgelijkheid van de vergelijkingspunten evenals het normaal karakter van de winst of baten van de soortgelijke belastingplichtigen.
De aandacht wordt gevestigd op de substantiële verplichting vervat in de artikelen 346, 1e lid, en 351, 2e lid, WIB 92, tot voorafgaande notificatie aan de belastingplichtige, en dit ongeacht het bedrag van de gewijzigde of in aanmerking te nemen inkomsten of ongeacht het belang van de andere gegevens. De niet-naleving van deze elementaire procedureregels kan de nietigheid van de gevestigde aanslag met zich brengen.
Met betrekking tot het bericht van wijziging, de kennisgeving van een aanslag van ambtswege en de kennisgeving van beslissing tot taxatie wordt nogmaals de aandacht gevestigd, niet alleen op het belang van de te respecteren wettelijke termijnen en de motivatieplicht ten einde de eventuele nietigheid van de gevestigde aanslagen te vermijden, maar ook en vooral uit hoofde van het belang van de motivering in het kader van de betere "dialoog" met de belastingplichtige en het voorkomen van overdreven en arbitraire taxaties en van onnodige administratieve en/of gerechtelijke beroepen.