Mensensmokkel is het misdrijf bestaande uit het onwettig en georganiseerd verplaatsen of begeleiden van mensen over internationale grenzen heen, dan wel de georganiseerde handelingen die hiermee gepaard gaan.
Het misdrijf wordt strafbaar gesteld door de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en is aldus te onderscheiden van het misdrijf mensenhandel.
Bestanddelen:
- bijdragen op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon
- dat een derdelander het grondgebied van de EU illegaal binnenkomt, erdoor reist of daar verblijft
- met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel
Slachtoffers van mensensmokkel worden dan weer door art. artikel 77 quater 1° tot en met 5° Verblijfswet beschermd in één van de volgende gevallen:
- het misdrijf is gepleegd ten opzichte van een minderjarige
- het misdrijf is gepleegd door misbruik te maken van de bijzonder kwetsbare situatie waarin een persoon verkeert, waardoor het slachtoffer geen andere echte en aanvaardbare keuze had dan zich te laten misbruiken
- het misdrijf is gepleegd door direct of indirect gebruik te maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige vorm van dwang
- het leven van het slachtoffer is opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar gebracht
- het misdrijf heeft een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking veroorzaakt
Mensenhandel en Mensensmokkel in het Strafwetboek 2024
Art. 258 Sw 2024 (inwerkingtreding 8 april 2026) Mensenhandel stelt:
“§ 1. Mensenhandel is het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten, opvangen van een persoon, alsook het nemen of overdragen van de controle over een persoon met als doel:
1° de uitbuiting van prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting;
2° de uitbuiting van bedelarij;
3° het verrichten van werk of het verlenen van diensten, in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid;
4° de uitbuiting door het wegnemen van organen of van menselijk lichaamsmateriaal;
5° deze persoon tegen zijn wil een misdrijf te doen plegen;
6° de uitbuiting van een illegale adoptie;
7° de uitbuiting van een gedwongen huwelijk.
Behalve in het in 5° bedoelde geval is de toestemming van de in het eerste lid bedoelde persoon met de voorgenomen of daadwerkelijke uitbuiting van geen belang.
§ 2. Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
§ 3. De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.”
Commentaar:
Mensenhandel en mensensmokkel
Met het oog op de coherentie en vereenvoudiging herneemt en groepeert het Sw. 2024 onder afdeling 2 van het hoofdstuk 7 (Schendingen van de persoonlijke waardigheid en misbruik van de kwetsbare positie van het slachtoffer) de bestaande strafbaarstellingen inzake mensenhandel uit de artikelen 433quinquies tot 433novies van het Strafwetboek 1867 evenals de strafbaarstellingen inzake mensensmokkel uit de artikelen 77bis tot 77sexies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Die strafbaarstellingen, mensenhandel en mensensmokkel vertonen immers tal van gelijkenissen, meer bepaald wat de verzwarende omstandigheden en de toepasselijke straffen betreft. Voorts komt het vaak voor dat de problematieken betreffende mensenhandel en mensensmokkel elkaar overlappen. Uit het rapport van Myria met betrekking tot mensenhandel van 2020 volgt dat voornamelijk vrouwen het slachtoffer zijn van seksuele uitbuiting, terwijl voornamelijk mannen het slachtoffer zijn van economische uitbuiting
Art. 258 Sw. 2024 herneemt aldus de strafbaarstelling van mensenhandel, in haar huidige versie, uit artikel 433quinquies van het Strafwetboek 1867.
Doordat mensenhandel bestraft wordt met een straf van niveau 3 is de nieuwe bepaling in lijn met de voorheen vastgestelde straf in het Sw. 1867.
De poging tot het misdrijf is strafbaar krachtens de algemene bepaling uit Boek I (artikel 9) Sw. 2024.
Zoals onder de gelding van het Sw. 1867 het geval is, wordt tevens bepaald dat de geldboete als bijkomende straf, waarin voorzien is bij artikel 52, zo veel keer kan worden toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 259 Sw 2024 (inwerkingtreding 8 april 2026) Mensensmokkel stelt:
“§ 1. Mensensmokkel is het, op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon, ertoe bijdragen dat een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnenkomt, erdoor reist of er verblijft, in strijd met de wetgeving van deze staat, met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel.
§ 2. Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
§ 3. De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.”
Commentaar:
“Deze bepaling integreert in het Strafwetboek 2024 de strafbaarstelling van mensensmokkel, vermeld in artikel 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
De straf van niveau 3 stemt overeen met de onder de vorige wetgeving geldende strafmaat.
De poging tot het plegen van dit misdrijf is strafbaar krachtens de algemene bepaling uit Boek I (artikel 9) Sw. 2024.
Ook hier wordt bepaald dat de geldboete als bijkomende straf, waarin voorzien is bij artikel 52, zo veel keer kan worden toegepast als er slachtoffers zijn.
Art. 260 Sw 2024 (inwerkingtreding 8 april 2026) Verzwaarde mensenhandel en mensensmokkel stelt:
“§ 1. Mensenhandel en mensensmokkel worden bestraft met een straf van niveau 4 indien:
1° het misdrijf is gepleegd ten opzichte van een minderjarige of een persoon in een kwetsbare toestand;
2° het misdrijf is gepleegd door misbruik te maken van de kwetsbare toestand waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken;
3° het misdrijf is gepleegd door direct of indirect gebruik te maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige vorm van dwang, of door ontvoering, machtsmisbruik of bedrog;
4° het misdrijf is gepleegd door het aanbieden of aanvaarden van betalingen of om het even welk voordeel om de toestemming te verkrijgen van een persoon die gezag heeft over het slachtoffer;
5° het leven van het slachtoffer opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar is gebracht;
6° het misdrijf een integriteitsaantasting van de derde graad heeft veroorzaakt;
7° van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt;
8° het misdrijf werd gepleegd met een discriminerende drijfveer;
9° het misdrijf een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.
Indien de mensenhandel met als doel de uitbuiting van prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting werd gepleegd ten aanzien van een minderjarige, zijn de bepalingen van hoofdstuk 3, afdeling 2, van toepassing.
§ 2. Mensenhandel en mensensmokkel worden bestraft met een straf van niveau 5 indien:
1° het misdrijf de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt, zonder dat het misdrijf werd gepleegd met het oogmerk te doden;
2° het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft, ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon heeft of niet.
De geldboete als bijkomende straf bedoeld in artikel 52 wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn.”
Commentaar:
“De eerste paragraaf van de bepaling herneemt de acht identieke verzwarende omstandigheden waarin was voorzien, wat mensenhandel betreft, bij artikel 433septies van het Strafwetboek 1867 en, wat mensensmokkel betreft, bij artikel 77quater van de wet van 15 december 1980. Deze verzwarende omstandigheden worden hier overgenomen als verzwarende bestanddelen die hebben tot gevolg dat de toepasselijke straf een straf van niveau 4 is.
Aangezien de straffen omschreven in de strafbepalingen van afdeling 2 van hoofdstuk 3 betreffende de “seksuele uitbuiting van minderjarigen” strenger zijn, wordt verduidelijkt dat bij mensenhandel met het oog op de uitbuiting van prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting ten aanzien van een minderjarige de bepalingen van afdeling 2 van hoofdstuk 3 van toepassing zijn.
De tweede paragraaf herneemt de twee verzwarende omstandigheden waarin respectievelijk voorzien is bij de artikelen 433octies van het Strafwetboek 1867 en 77quinquies van de wet van 15 december 1980. De straf is in dat geval een straf van niveau 5.
Art. 261 Sw 2024 (inwerkingtreding 8 april 2026) Verzwaarde mensenhandel en mensensmokkel stelt:
“Bij de keuze van de straf of maatregel en de zwaarte ervan voor een in deze afdeling bedoeld misdrijf neemt de rechter in overweging dat het misdrijf werd gepleegd:
1° door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer of door een persoon die misbruik heeft gemaakt van het gezag of de mogelijkheden die zijn functies hem verschaffen;
2° door een persoon met een openbare functie in het kader van de uitoefening van deze functie.”
Commentaar:
De verzwarende omstandigheden waarin onder de gelding van het Sw. 1867 voorzien is bij de artikelen 433sexies van het huidig Strafwetboek 1867 en 77ter van de wet van 15 december 1980, hadden tot gevolg dat de straf gebracht werd op een straf van vijf jaar tot tien jaar opsluiting die, na de correctionalisering, niet meer mocht bedragen dan vijf jaar gevangenisstraf. Om die reden werden zij in het Sw. 2024 overgenomen als verzwarende factoren, en niet als verzwarende bestanddelen.
Art. 262 Sw 2024 (inwerkingtreding 8 april 2026) Verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf stelt:
“In afwijking van artikel 53, § 2, 2°, worden de zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van een van de misdrijven bedoeld in deze afdeling verbeurd verklaard, ook al zijn zij geen eigendom van de veroordeelde, onverminderd de rechten die derden kunnen laten gelden op die zaken.
De verbeurdverklaring wordt eveneens toegepast, onder dezelfde voorwaarden, op de onroerende goederen of gedeelten ervan die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf.
Indien deze roerende of onroerende goederen worden vervreemd tussen het plegen van het misdrijf en de definitieve rechterlijke beslissing, kan de rechter hun geldwaarde bepalen en de verbeurdverklaring uitspreken van een geldsom die hiermee overeenstemt overeenkomstig artikel 53, § 2, tweede lid.”
Commentaar:
De regeling inzake verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf van mensenhandel of mensensmokkel onderscheidt zich in twee opzichten van het gemeen recht dat geldt voor de verbeurdverklaring (zoals geregeld bij artikel 53 van Boek I Sw. 2024).
Ten eerste zal, in afwijking van artikel 53, § 1, 2°, van dit wetboek, de verbeurdverklaring ook betrekking hebben op die zaken als zij niet toebehoren aan de veroordeelde. Naar analogie met andere misdrijven die in een dergelijke mogelijkheid voorzien, wordt bepaald dat die straf geen aantasting mag inhouden van de rechten die derden op wettige wijze kunnen laten gelden op die zaken. De wijze waarop derden hun rechten zullen kunnen inroepen (strafrechtelijk kort geding, optreden voor de feitenrechter) is een procedurele kwestie.
Vervolgens, aangezien artikel 53, § 1, vierde lid, van Boek I Sw. 2024 in de mogelijkheid daartoe voorziet, zal de verbeurdverklaring eveneens toegepast worden, onder dezelfde voorwaarden, op de onroerende goederen of gedeelten ervan die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf.
In feite wordt aldus de huidige regeling inzake verbeurdverklaring die van toepassing is op mensenhandel en mensensmokkel hernomen.
Art. 263 Sw 2024 (inwerkingtreding 8 april 2026) Specifieke verboden in geval van veroordeling wegens mensenhandel stelt:
“§ 1. Ingeval van veroordeling wegens mensenhandel kan de rechter ten aanzien van de veroordeelde het verbod uitspreken om gedurende een jaar tot twintig jaar een drankgelegenheid, een bureau voor arbeidsbemiddeling, een onderneming die vertoningen organiseert, een zaak voor verhuur of verkoop van visuele dragers, een hotel, een bureau voor verhuur van kamers of appartementen, een reisbureau, een huwelijksbureau, een adoptie-instelling, een instelling waaraan de bewaring van minderjarigen wordt toevertrouwd, een bedrijf dat instaat voor het vervoer van leerlingen en jeugdgroepen, een gelegenheid voor ontspanning of vakantie, of een inrichting die lichaamsverzorging of psychologische begeleiding aanbiedt, hetzij persoonlijk, hetzij door bemiddeling van een tussenpersoon, uit te baten of er, in welke hoedanigheid ook, werkzaam te zijn, of een beroepsactiviteit of sociale activiteit verbonden aan het plegen van het misdrijf uit te oefenen.
§ 2. Ook kan de rechter, voor een termijn van een jaar tot twintig jaar, het verbod uitspreken om:
1° in welke hoedanigheid ook deel te nemen aan onderwijs in een openbare of particuliere instelling die minderjarigen opvangt;
2° als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, deel uit te maken van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan de activiteit in hoofdzaak op minderjarigen is gericht;
3° als vrijwilliger, als lid van het statutair of contractueel personeel of als lid van de organen van bestuur en beheer, van elke rechtspersoon of feitelijke vereniging een activiteit toegewezen te krijgen die de veroordeelde in een vertrouwens- of een gezagsrelatie tegenover minderjarigen plaatst;
Het opleggen van die maatregel moet bijzonder gemotiveerd worden en er moet in dat verband rekening worden gehouden met de ernst van de feiten en het re-integratievermogen van de veroordeelde.
§ 3. Artikel 48, derde en vierde lid, is van toepassing op de in paragrafen 1 en 2 bedoelde verboden.”
Commentaar:
De eerste paragraaf van art. 263 Sw. 2024 herneemt de verboden inzake de uitbating van bepaalde inrichtingen, als bedoeld in artikel 433novies, § 2, van het Strafwetboek 1867 (dat verwijst naar de verboden bedoeld in artikel 382, § 2 1867). Op voorstel van het College van procureurs-generaal werden de woorden “alsook enige andere commerciële activiteit uit te oefenen” toegevoegd om zo de rechter een grotere flexibiliteit te bieden door de potentieel te verbieden activiteiten niet te beperken.
De tweede paragraaf herneemt de verboden, bedoeld in de artikelen 382bis en 433novies, § 2, van het Strafwetboek 1867.
Naar analogie met de beroepsverboden, geregeld bij artikel 48 van Boek I Sw. 2024, nemen de verboden in dit artikel een aanvang op de dag waarop de veroordeling in kracht van gewijsde is getreden. De termijn wordt niettemin verlengd voor de duur dat de gevangenisstraf wordt uitgevoerd, met uitzondering van de periode van vervroegde invrijheidstelling.
De straf in geval van niet-naleving van het verbod wordt bepaald in het kader van hoofdstuk 5 van titel 7, dat gewijd is aan de misdrijven tegen de rechtsbedeling.
De sluiting van de inrichting die onder de gelding van het Sw. 1867 is opgenomen in artikel 433novies, § 4, Sw. 1867 is hernomen onder artikel 298 Sw. 2024.
Art. 264 Sw 2024 (inwerkingtreding 8 april 2026) Verschoningsgrond ten gunste van het slachtoffer van mensenhandel stelt:
“Het slachtoffer van mensenhandel dat deelneemt aan misdrijven waarop door de wet een straf van niveau 1, 2, 3, 4, 5 of 6 is gesteld als direct gevolg van zijn uitbuiting wordt niet gestraft voor die misdrijven.”
Commentaar:
Deze bepaling herneemt de strafuitsluitende verschoningsgrond ingevoerd door de wet van 22 mei 2019 betreffende de handel in menselijke organen en betreffende het niet-bestraffingbeginsel voor slachtoffers van mensenhandel (Belgisch Staatsblad, 21 juni 2019) en nu terug te vinden is in artikel 433quinquies, § 5 van het Strafwetboek van 1867.
Deze strafuitsluitende verschoningsgrond is van toepassing op de misdrijven bedoeld in het Strafwetboek (gebruik van valse stukken, diefstal …), in het Sociaal Strafwetboek (inzonderheid niet-aangegeven werk zoals bedoeld in artikel 183/1) en in de bijzondere wetten (bijvoorbeeld de verkoop van verdovende middelen, de misdrijven bedoeld in de vreemdelingenwet van 1980).
De verschoningsgrond is uitgesloten voor de misdrijven strafbaar met een straf van niveau 7 of 8; in dat laatste geval zal enkel dwang (onweerstaanbare macht) zoals bedoeld in artikel 22 van ontworpen Boek I, in voorkomend geval, in aanmerking worden genomen.