Doden met het oogmerk om te doden wordt doodslag genoemd. Het wordt gestraft met (opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar.
Doodslag op de vader, de moeder of andere bloedverwanten in de opgaande lijn wordt oudermoord genoemd en wordt gestraft met levenslange opsluiting (artikel 395 strafwetboek 1867). Het begrip oudermoord wordt verlaten in het strafwetboek 2024 en valt momenteel onder het begrip intrafamiliale doodslag.
Art. 97. Sw 2024 (in werking 8 april 2026) moord stelt:
“Moord is doodslag gepleegd met voorbedachtheid.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 8.”
Art. 101. Sw 2024 intrafamiliale doodslag (in werking 8 april 2024) stelt:
“De doodslag gepleegd op een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen wordt bestraft met een straf van niveau 8.”
Commentaar:
Deze bepaling heeft een verzwarend bestanddeel indien het slachtoffer bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen is.
Het opnemen van een verzwarend bestanddeel voor doodslag gepleegd binnen een partnerrelatie, zorgt ervoor dat ook voor de ultieme vorm van partnergeweld in een strafverzwaring wordt voorzien (en niet langer alleen voor opzettelijke slagen en verwondingen of het toedienen van schadelijke stoffen). De ratio legis van deze strafverzwaring, o.a. gelegen in de bijzondere kwetsbaarheid voor geweld die er bestaat binnen een relatie waarin men zich normaliter beschermd moet weten, geldt immers ook voor deze feiten.
In zoverre deze bepaling in een strafverhoging voorziet voor een doodslag gepleegd op een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen, herneemt het de kwalificatie oudermoord uit het artikel 395 Sw 1867. Het verdient echter aanbeveling het verzwarend bestanddeel ook uitwerking te laten vinden wanneer de dader de vader, moeder of andere ascendent is van het slachtoffer.
De strafverzwaring uit het artikel 395 Sw 1867 is mede gebaseerd op het bijzondere respect dat afstammelingen geacht worden te hebben voor het leven en de fysieke integriteit van hun ascendenten. In het verslag van de Kamercommissie werd oudermoord bij de bespreking van het Strafwetboek 1867 omschreven als de schending van een heilige plicht, die het verlaten van de meest fundamentele natuurlijke gevoelens impliceert. Wanneer deze verplichting tot respect op de meest fundamentele wijze met de voeten wordt getreden, door het doden van de ascendent met het oogmerk hem te doden, verdient dit volgens het Strafwetboek 1867 een verhoging van de strafmaat tot de zwaarste straf waarin het Wetboek voorziet.
Volgens de auteurs van het Strafwetboek 2024 geldt deze verplichting tot respect in een hedendaagse context echter in beide richtingen: men mag ook een bijzonder respect verwachten voor het leven en de fysieke integriteit van zijn eigen afstammelingen. Vandaar dat wordt voorgesteld het verzwarend bestanddeel van toepassing te laten zijn op een band van bloedverwantschap in zowel de opgaande als de neerdalende lijn.
Art. 105. Sw 2024 verzwarende factoren stelt:
“Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor een misdrijf omschreven in deze afdeling neemt de rechter in overweging het feit dat:
1° de dader een bloedverwant in de zijlijn tot de derde graad is van het slachtoffer of occasioneel of gewoonlijk met het slachtoffer samenwoont;
2° het misdrijf werd gepleegd op een scheidsrechter of seingever bij een sportwedstrijd, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie;
3° het misdrijf werd gepleegd door een persoon met een openbare functie, in het kader van de uitoefening van deze functie;
4° het misdrijf werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige;
5° het misdrijf werd gepleegd door twee of meer personen die gezamenlijk optreden;
6° het misdrijf werd gepleegd met behulp van of onder bedreiging van een wapen;
7° het misdrijf werd gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde "eer".