Art. 2 Strafwetboek 2024 (in werking 8 april 2026) stelt: Toepassing van de strafwet in de tijd
Niemand kan worden bestraft voor een handelen of nalaten dat niet bij wet strafbaar was ten tijde van dat handelen of nalaten.
Evenmin kan een zwaardere hoofd- of bijkomende straf worden opgelegd dan die waarin ten tijde van het plegen van het misdrijf bij wet was voorzien.
In geval van wijziging van de strafwet na het plegen van het misdrijf gelden de voor de dader meest gunstige bepalingen.
Commentaar
Als corollarium van het legaliteitsbeginsel wordt het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strafwetten ook omschreven in artikel 7 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze laatste twee bepalingen voorzien tevens in de retroactiviteit van de wetten die van latere datum zijn dan het misdrijf en die lichtere straffen bepalen.
Het eerste en tweede lid van art. 2 strafwetboek 2024 huldigen het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strafbaarstellingen en de straffen die zwaarder zijn. De strafwet kan, in beginsel, immers enkel van toepassing zijn op de toekomstige gedragingen en situaties, niet op de voorbije. Het gaat om een vereiste van rechtszekerheid, voortvloeiend uit het legaliteitsbeginsel.
Het derde lid voorziet, in het algemeen, in de retroactieve toepassing van de gunstigere bepalingen van elke nieuwe strafwet op de beklaagde of de beschuldigde.
Het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet geldt voor alles wat verbetering brengt in de toestand van de beklaagde of de beschuldigde.
Deze regeling geldt niet alleen voor straffen en strafbaarstellingen, maar ook voor rechtvaardigingsgronden, schuldontheffingsgronden, gronden van niet-toerekeningsvatbaarheid en verschoningsgronden.
Wanneer de nieuwe strafwet milder is voor de beklaagde of de beschuldigde in vergelijking met de vroegere toepasselijke bepalingen, dan is de nieuwe wet van toepassing op alle situaties waarover nog geen einduitspraak bestaat.
De regel heeft betrekking op zowel de strafbaarstelling (schrapping van strafbaarstelling of minder ruime strafbaarstelling) als de straf (lichtere straf). Deze bepaling heeft slechts betrekking op de strafwetten, niet op wetten met betrekking tot de strafprocedure. Hieruit volgt dat wanneer een handeling of omissie die verweten wordt aan de beklaagde of de beschuldigde strafbaar is gesteld door een wet die gewijzigd is op het moment van de rechterlijke uitspraak, de rechter het misdrijf enkel bewezen kan verklaren wanneer hij vaststelt dat deze handeling of omissie zoals ze werd gepleegd strafbaar blijft onder toepassing van de nieuwe wet.
Daaruit volgt dat, wanneer tussen het tijdstip van het plegen van het misdrijf en het tijdstip van de rechterlijke uitspraak verscheidene rechtsregels elkaar opvolgen, de meest gunstige rechtsregel voor de beklaagde of de beschuldigde in aanmerking moet worden genomen. Zoals het geval is onder het strafwetboek 1867, behoort het volgens het strafwetboek 2024 de rechter te bepalen welke regel de meest gunstige is (minder ruime strafbaarstelling of lichtere straf.
Wat de notie van zwaarste straf betreft, moet de rechter inzonderheid de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens, die van het Grondwettelijk Hof en die van het Hof van Cassatie in aanmerking nemen.
De nieuwe indeling van straffen per niveau onder gelding van het strafwetboek 2024 zou de taak van de rechter in dat opzicht moeten vergemakkelijken. Indien de toepasselijke straffen worden aangepast, bestaat er onder gelding van het strafwetboek 1867 onzekerheid over de vraag of, om te bepalen welke straf de zwaarste is, men het hele nieuwe bestraffingskader moet bekijken, dan wel of men de straffen afzonderlijk dient te vergelijken.
Om een einde te maken aan deze onzekerheid werd in het tweede lid van art. 2 strafwetboek 2024 de omschrijving “zwaardere straf” vervangen door “zwaardere hoofd- of bijkomende straf”, zodat duidelijk wordt gemaakt dat de vergelijking straf per straf moet gebeuren en niet in zijn geheel.
Deze regel werkt aldus in het voordeel van de beklaagde.
Met de nieuwe indeling van de hoofdstraffen in niveaus wordt de vergelijking van de hoofdstraffen eenvoudiger.
Het volstaat het strafniveau onder de vroegere wet te vergelijken met het nieuwe door de wetgever weerhouden strafniveau.
Voor de bijkomende straffen moet men ook overgaan tot een vergelijking tussen het vroegere regime van bijkomende straffen en het nieuwe regime. De toevoeging van een bijkomende straf of de verzwaring ervan impliceert dat het om een zwaardere straf gaat; de schrapping van een bijkomende straf of zijn vermindering impliceert daarentegen dat het om een lichtere straf gaat.
Wanneer een bijkomende straf wordt vervangen door een andere, moet in concreto worden nagegaan welk regime het voor de beklaagde meest gunstige is.
Overeenkomstig de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof is de regel uit het derde lid ook van toepassing op een bijkomende veroordeling die een strafkarakter heeft in de zin van artikel 7 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het toepassingsgebied van een strafwet in de tijd omvat de periode die begint op het moment waarop de wet in werking treedt en eindigt op het moment waarop zij wordt opgeheven of vernietigd.
Wanneer de wetgever voorziet dat een nieuwe wet van toepassing zal zijn vanaf een bepaalde datum, betekent dit dat de datum van inwerkingtreding van deze wet overeenstemt met deze bepaalde datum. Om te bepalen welke wet van toepassing is, moet worden bepaald welke wet van toepassing was op het moment waarop het misdrijf werd gepleegd; een wet van een latere datum zal worden toegepast wanneer zij als milder moet worden beschouwd en in werking is getreden op het moment van de rechterlijke uitspraak. Met andere woorden, de meest gunstige bepalingen moeten worden toegepast.
De regeling voor feiten voorafgaand aan 8 april 2026 (strafwetboek 1867)
Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast. (Art. 2. lid 2 strafwetboek 1867)
Wanneer een nieuwe strafwet tussen het tijdstip van de feiten en de behandeling door de rechtbank een mildere straf voorziet, dan wel het feit zelf niet meer strafbaar stelt, dient de nieuwe wet te worden toegepast.
De rechtbank kan ook geen veroordeling uitspreken wanneer de ten laste gelegde gedraging niet langere strafbaar is onder de nieuwe regel.
Het artikel 2 lid 2 van het Strafwetboek is ook toepasselijk bij mildere incriminatie of misdrijfomschrijving.
Artikel 2 lid 2 Sw 1867. heeft het echter over de strafwet zelf en niet over de uitvoeringsbesluiten.
Het Hof van Cassatie stelt dat wanneer een uitvoeringsbesluit vervangen wordt zonder wijziging van de wet die aan de grondslag ligt van het uitvoeringsbesluit artikel 2 van het strafwetboek geen toepassing vindt.
Zie Cassatie 29.02.1932, PAS. 1932, I, 87 en Cassatie 27.05.1992, RDP, 1992, 875 en Correctionele Rechtbank Gent, 09.04.2013, NJW, 286, pagina 607, met noot van C. Conings, retroactieve toepassing van de mildere strafwet, NJW, 286, pagina 610 voorzien van de nodige kritiek met verwijzing naar rechtsleer.
Het verbod voor de rechter om aan de beklaagde een zwaardere straf op te leggen dan deze die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was, geldt enkel voor eigenlijke straffen. Veiligheidsmaatregelen zijn daarentegen vanaf hun inwerkingtreding van toepassing op bestaande rechtstoestanden.