De verleiding voor een advocaat in een proces kan groot zijn om in functie van een uitspraak van een deel van de vordering, nadien pas verder te concluderen over de rest en dus aan de rechter vragen om eerst over het ene uitspraak te doen en dan pas over het andere.
De volledige argumentatie wordt soms moeilijk in éénmaal verteerbaar en de schijfjes van een saucisse smaken en verteren beter en langzamer.
Maar dit recht tot faseren van het proces heeft een advocaat in tegenstelling tot de rechter niet. Een conclusie mag dus niet gesaucissoneerd worden maar moet gebetonneerd zijn, in één stuk.
De rechter mag in het raam van een goede rechtsbedeling wel tussenvonnissen vellen. Wanneer een advocaat het proces in fasen wil doen verlopen dient de advocaat dit met de grootste omzichtigheid te doen en uitvoerig te motiveren waarom het geschil niet in éénmaal kan beslecht worden, met andere woorden niet in staat van wijzen is, op gevaar af dat de rechter hierop niet ingaat.
De partijen zijn er immers ertoe gehouden in hun conclusies alle middelen voor te dragen die hun eis of verweer kunnen schragen.
lites finiri oportet (geschillen moeten tot een eind komen).
In dat verband zij opgemerkt dat er, in het burgerlijk procesrecht, niet zoiets bestaat als een recht om een procedure in meerdere episodes te laten verlopen.
De samenleving heeft baat bij een rechtspleging die zo snel mogelijk tot een einde komt. Het burgerlijk geding is immers een tijdsgebonden gebeuren bij uitstek.
De partijen bij een rechtsstrijd kunnen slechts rekenen op een behoorlijke rechtsbedeling, wanneer zij de zaak in staat van wijzen brengen met de nodige spoed en ijver. Processuele termijnen moeten zorgen voor gepaste voortvarendheid, waarbij de rechter moet waken over een vlotte procesvoering.
Het algemeen beginsel van het recht van verdediging, als exponent van het recht op een eerlijk proces (zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM), sluit overigens ook niet uit dat de wet het ogenblik vastlegt tot wanneer de gedingvoerende partijen geschriften of stukken kunnen indienen of vorderingen kunnen stellen.
Een zaak is in staat van wijzen en de rechter kan over de vordering uitspraak doen als iedere partij over de zaak zelf heeft geconcludeerd (of in gebreke is gesteld zulks te doen), zelfs indien één van de partijen slechts op onvolledige wijze op het verweer of op de vordering van haar tegenpartij heeft geantwoord, en ook al heeft één van de partijen zich het recht voorbehouden later te concluderen over een punt van het geschil.
Toepassing op de provisionele vordering
Niet alleen slaat het saucissoneren op het opdelen van het geschil in afzonderlijke episodes waarbij vorderingen worden opgedeeld en afzonderlijk behandeld, dan wel op vorderingen die in stappen worden behandeld, maar soms ook op de cijfermatige begroting van de vorderingen in verschillende stappen.
Wanneer een partij voldoende tijd heeft gekregen om haar vordering te concretiseren en zich in de procedure er zich toe beperkt een provisionele vergoeding te eisen, kan de rechter vaststellen dat het bewijs van een hogere schade hic et nunc niet geleverd wordt, terwijl de zorg voor een efficiënte rechtsgang een bijkomend uitstel van de zaak niet verantwoordt.
Provisionele ‘aanspraken’ van een partij kunnen aldus afgewezen niet alleen afgewezen bij gebrek aan bewijs van de schade, maar bij gebrek aan processuele diligentie.
Wie een provisionele vergoeding vraagt moet het aannemelijk maken dat het hic et nunc onmogelijk is om een definitief bedrag te bepalen.
Alvorens een deskundigenonderzoek gevraagd door een een partij kan overwogen, moeten eerst nagegaan of er geen andere, minder ingrijpende onderzoeksmaatregelen kunnen overwogen worden, zoals het voorleggen van bijkomende stukken.
Zich gemakshalve beperken tot een provisionele vordering, om dan later rustig de tijd zal te nemen om rustig de burgerlijke vordering te concretiseren, getuigt van laksheid. Partijen worden verondersteld om de nodige bewijsstukken te verzamelen en hun vordering op de rechtsdag in staat te stellen.
Een provisionele vordering kan slechts ingewilligd middels redelijke verantwoording van de omstandigheden waaruit blijkt dat de vordering nog niet definitief kan begroot worden (denk bv. aan nog niet geconsolideerde letsels) verenigbaar is met een vlotte en efficiënte rechtsbedeling.
Het is niet omdat een deskundigenonderzoek tot de mogelijkheden behoort dat deze mogelijkheid een recht of automatisme is. De mogelijkheid om een deskundige aan te stellen, ontslaat een partij immers niet de subsidiariteit van deze maatregel en de verplichting van de burgerlijke partij om eerst zelf het bestaan (en eventueel de omvang) van haar schade te bewijzen, bijvoorbeeld door medische attesten van de eigen arts voor te leggen.
Pas wanneer er geen nuttige stukken bekomen kunnen worden, de attesten betwist of de eenzijdige documentenonvoldoende betrouwbaar lijken of althans geen volledig beeld geven van de schade, komt de aanstelling van een gerechtsdeskundige aan de orde.