Ten opzichte van het Strafwetboek 1867 is de vergiftiging (artikel 397 Sw.1867) niet hernomen in het strafwetboek 2024 (in werking vanaf 8 april 20224).
Vergiftiging werd onder de gelding van het Strafwetboek 1867 genoemd de doodslag gepleegd door middel van stoffen die min of meer snel de dood kunnen teweegbrengen, op welke wijze die stoffen ook aangewend of toegediend zijn. Zij wordt gestraft met (levenslange opsluiting).(artikel 397 strafwetboek 1867).
"Wanneer een bepaalde tijd verloopt tussen de toediening van het vergif en de voltooiing van het misdrijf door het intreden van de dood van het slachtoffer, kan de feitenrechter zonder de artikelen 67, 392, 393 en 397 Strafwetboek 1867 te miskennen, beslissen dat een gebrek aan handelen – dat desgevallend ook strafbaar kan zijn als een inbreuk op artikel 422bis Strafwetboek 1867 – de dader heeft geholpen of bijgestaan in daden die de misdaad van vergiftiging hebben voltooid. De concrete beoordeling van de gevolgen van het niet-handelen behoort tot de soevereine beoordelingsmacht van de feitenrechter. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.” (Cassatie 3 april 2012, P. 11.1886.N, Tijdschrift voor Strafrecht, 2012/6, 453).
Een oneigenlijk omissiedelict is een handelingsmisdrijf door onthouding (delictum commissionis per omissionem): In het geval van een delictsomschrijving die een verbiedend rechtsvoorschrift inhoudt, kan de strafbare gedraging soms bestaan in een niet-handelen.
Vergiftiging wordt door artikel 397 Strafwetboek genoemd de doodslag gepleegd door middel van stoffen die min of meer snel de dood kunnen teweegbrengen, op welke wijze die stoffen ook aangewend of toegediend zijn. Wanneer een bepaalde tijd verloopt tussen de toediening van het vergif en de voltooiing van het misdrijf door het intreden van de dood van het slachtoffer, kan de feitenrechter zonder de artikelen 67, 392, 393 en 397 Strafwetboek te miskennen, beslissen dat een gebrek aan handelen – dat desgevallend ook strafbaar kan zijn als een inbreuk op artikel 422bis Strafwetboek – de dader heeft geholpen of bijgestaan in daden die de misdaad van vergiftiging hebben voltooid.
De concrete beoordeling van de gevolgen van het niet handelen behoort tot de soevereine beoordelingsmacht van de feitenrechter. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
Wat de vergiftiging betreft werd het behoud van deze afzonderlijke kwalificatie in het nieuwe strafwetboek 2024 ook niet langer nodig geacht.
Deze verzwarende omstandigheid bij doodslag werd bij de invoering voornamelijk gemotiveerd door het feit dat de voorbedachtheid inherent wordt geacht aan deze uitvoeringswijze van het misdrijf doodslag, waardoor hiervoor dezelfde strafmaat (levenslange opsluiting) moest worden voorzien.
In de uitzonderlijke gevallen waarin het gebruik van vergif niet samen zou gaan met voorbedachtheid, zou hier bij de straftoemeting (op onvoldoende wijze) aan kunnen worden geremedieerd door de toepassing van verzachtende omstandigheden. Aangezien de voorbedachtheid in het ontwerp een verzwarend bestanddeel uitmaakt, en dus een zwaardere bestraffing van de doodslag in dergelijke gevallen mogelijk maakt, blijft onder het ontwerp een zelfde bestraffing voor feiten van vergiftiging mogelijk, zonder dat hiervoor een afzonderlijk verzwarend bestanddeel noodzakelijk is.
Bovendien is er dan, in tegenstelling tot onder de gelding van het strafwetboek 2024, geen artificiële toepassing van verzachtende omstandigheden nodig om tot een gepaste straf te komen wanneer er geen voorbedachtheid aanwezig is, aangezien de straf gesteld op de doodslag dan het uitgangspunt is. Ook de bijzondere aandacht en angst voor vergiftiging die bestond in de 19de eeuw, o.a. gelet op de toenmalige stand van de medische wetenschap, die resulteerde in de bijzondere aandacht van de wetgever, bestaat vandaag niet meer; de bepalingen met betrekking tot moord en doodslag kunnen volstaan. Overigens moet worden opgemerkt dat de rechtsvergelijking ook geen argumenten biedt voor het behoud van een dergelijk verzwarend bestanddeel.