De woonstvergoeding is de vergoeding door een deelgenoot verschuldigd aan de andere deelgenoot voor het gebruik van de woning die eigendom is van de (huw)gemeenschap, dan wel de post communautaire gemeenschap.
De ex-echtgenoot die na de ontbinding van het huwelijksgemeenschapsstelsel het exclusieve genot van een onverdeeld goed heeft, is hiervoor aan de andere ex-echtgenoot een vergoeding verschuldigd zolang die andere ex-echtgenoot niet in de mogelijkheid is zijn genotsrecht uit te oefenen.
Exclusief gebruik van een onverdeelde woning tijdens de echtscheidingsprocedure geeft in de regel aanleiding tot woonstvergoeding (art. 577-2, §§ 3 en 5 oud BW -3.71 (nieuw) BW ), tenzij het exclusieve genot/gebruik kadert binnen de in de artikelen 213 en 221, eerste lid BW bedoelde hulp- en bijdrageverplichting die doorwerkt totdat het huwelijk in de persoonsrechtelijke verhouding tussen de partijen is ontbonden(art. 1278, eerste lid Ger.W.).
Het krachtens artikel 223, eerste en tweede lid, oud Burgerlijk Wetboek, of artikel 1280, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, toegekende uitsluitend genot van de gezinswoning kan, naargelang van het geval, zijn toegekend als uitvoering in natura van de hulpverplichting tussen de echtgenoten tijdens het huwelijk of als loutere bestuursmaatregel; wordt het uitsluitend genot van de gezinswoning toegekend als uitvoering in natura van de hulpverplichting tussen echtgenoten, dan is er, naargelang van hetgeen waarmee de familierechter heeft rekening gehouden, aanleiding tot verrekening van dit genot van de echtgenoot op zijn aandeel in de inkomsten van de onverdeelde goederen en wordt, in het geval het aandeel van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot in de onverdeelde inkomsten hoger is dan het genoten voordeel, dit genot in zoverre aangezien als een voorschot op dit aandeel.
De enkele omstandigheid dat de familierechter, in zijn beschikking genomen op grond van artikel 1280 Gerechtelijk Wetboek, geoordeeld heeft over de bijdrage van de partijen in de kosten voor onderhoud en opvoeding van de kinderen en over de bijdrage in de lasten met betrekking tot het woonkrediet, rekening houdend met alle gegevens waaronder de behuizing van de partijen, en het uitsluitend genot van de gezinswoning aan de verweerder toekent, houdt niet in dat de rechter, die uitspraak doet over de vereffening-verdeling, niet kan oordelen dat de echtgenoot die tijdens de echtscheidingsprocedure alleen het genot van de gezinswoning had een vergoeding verschuldigd is voor dit genot.
Vanaf de inleiding van de echtscheidingsprocedure speelt niet langer het systeem van de vergoedingsrekeningen (artikel 1432 oud BW e.v. (Art. 2.3.44, leden 1 en 2 (nieuw) BW), maar gelden de regels van mede-eigendom.
Een deelgenoot die het exclusief genot had over een onverdeeld goed is een vergoeding verschuldigd aan de andere deelgenoten in verhouding tot hun aandeel in de opbrengstwaarde (i.e. de huurwaarde) van dit goed.
Niet de bewoning, maar het gebruik of genot is bepalend voor het verschuldigd zijn van een bezettingsvergoeding, in feite een vergoeding aan de onverdeeldheid voor het persoonlijk genot door een van de deelgenoten van een onverdeelde zaak, waarvan het genot, c.q. de vruchten aan de onverdeeldheid toekomen.
Het gegeven dat een echtgenoot preferentiële overname wenst van het appartement staat evenmin de betaling van een bezettingsvergoeding in de weg.
De verdeling heeft een declaratief karakter verleent.
De deelgenoot die het onverdeeld goed heeft gebruikt en er exclusief van genoten heeft, een vergoeding verschuldigd zijn die tussen de deelgenoten moet worden verdeeld.
De terugwerkende kracht van de verdeling (art. 883 BW) heeft geen betrekking op de genoten vruchten. De terugwerkende kracht heeft slechts betrekking op:
- de verwerving van de eigendom van de goederen,
- het tenietgaan van de op de onverdeelde goederen gevestigde rechten,
- de niet-tegenwerpelijkheid van de daarop gevestigde persoonlijke rechten ingeval het goed wordt toebedeeld aan een andere deelgenoot dan diegene die het recht heeft gevestigd.