Art. 171, 4° b WIB/92 bepaalt (afzonderlijke aanslag):
4° tegen een aanslagvoet van 16,5%.
b) de in 1 °, c, vermelde stopzettingsmeerwaarden die worden verkregen of vastgesteld naar aanleiding van een stopzetting van de werkzaamheid vanaf de leeftijd van zestig jaar of ingevolge het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen definitieve stopzetting en de in 1°,c vermelde vergoedingen die worden verkregen naar aanleiding van een handeling verricht vanaf de zelfde leeftijd of ingevolge het overlijden of naar aanleiding van een gedwongen handeling.
Onder gedwongen definitieve stopzetting of gedwongen handeling wordt verstaan de definitieve stopzetting of de handeling die voortvloeit uit een schadegeval, een onteigening, een opeising in eigendom, of een andere gelijkaardige gebeurtenis. Als gedwongen definitieve stopzetting wordt eveneens beschouwd de definitieve stopzetting die het gevolg is van een handicap als vermeld in artikel 135, eerste lid,1°.
Dit laatste artikel luidt als volgt:
Als gehandicapt wordt aangemerkt:
1° diegene van wie, ongeacht de leeftijd, is vastgesteld dat ingevolge feiten overkomen en vastgesteld voor de leeftijd van 65 jaar:
- ofwel zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
- ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan, of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten tot gevolg heeft, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten;
- (ofwel na de periode van primaire ongeschiktheid, bepaald in artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, zijn verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 100 van dezelfde gecoördineerde wet;) <W 1998-12-22136, art. 14, 043; Inwerkingtreding: 25-01-1999>
- ofwel hij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, tot ten minste 66 pct. blijvend lichamelijk of geestelijk gehandicapt of arbeidsongeschikt is verklaard;
2° het kind dat tot ten minste 66 pct. is getroffen door ontoereikende of verminderde lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wijst, voor de toepassing van de belastingwet, de overheden aan die de toestand als gehandicapte vaststellen.
Voor de toepassing van artikel 171, 4° b WIB/92 is het niet noodzakelijk is dat de volledige activiteit definitief wordt stopgezet aangezien artikel 28, eerste lid, 1 ° WIB/92 tevens van toepassing is wanneer één of meerdere bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid gedurende het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid volledig en definitief worden stopgezet.
Art. 171, 4° b WIB/92 heeft het enkel over een stopzettingsmeerwaarde die wordt verkregen of vastgesteld naar aanleiding van een stopzetting van de werkzaamheid.
De tekst van de wet laat niet toe te stellen dat de stopzetting betrekking moet hebben op de ganse onderneming. Er anders over oordelen zou voor gevolg hebben dat door de administratie een voorwaarde aan de wet wordt toegevoegd.
Landbouwactiviteit en de melkactiviteit zijn twee afzonderlijke bedrijfsafdelingen met afzonderlijke eisen inzake leiding en opvolging.
De vereiste van handicap in de zin van art. 135, 1 ° lid, 1 °, eerste gedachtestreepje WIB/92 is niet gekoppeld aan de voorwaarde van een blijvende handicap.
Uit de bewoordingen van de wetgever heeft het "blijvend karakter" enkel betrekking op artikel 135, 1 ° lid, vierde gedachtestreepje.
Het bewijs van handicap kan geleverd middels medisch attesten, attesten van het RIZIV of door verklaringen van invaliditeit.