Een schenking kan worden bezwaard met voorwaarden of lasten, die in een pacte adjoint worden vastgelegd. Deze bijkomende overeenkomst vormt een zelfstandige rechtshandeling en roept belangrijke vragen op inzake bewijslast, bewijswaarde en de gevolgen van niet-naleving.
1. Bewijslast van het bestaan van de pacte adjoint
Volgens de algemene regels rust de bewijslast op de partij die zich beroept op de last of voorwaarde. Wie stelt dat de schenking met een pacte adjoint werd gedaan, moet aantonen dat de begiftigde die last heeft aanvaard.
Bij betwisting gaat het doorgaans om een rechtshandeling met een waarde die de wettelijke drempel overschrijdt. Artikel 8.9 BW bepaalt dat rechtshandelingen vanaf een waarde van 3.500 euro slechts bewezen kunnen worden door een ondertekend geschrift. De waarde die in aanmerking komt is die van de rechtshandeling die aan de vordering ten grondslag ligt.
2. Bewijs door onderhandse akte
Een ondertekende onderhandse akte heeft bijzondere bewijswaarde. Artikel 8.18 BW kent aan zo’n akte volledige bewijswaarde toe tussen de ondertekenaars. De partij tegen wie de akte wordt ingeroepen, kan zich daar enkel aan onttrekken door een uitdrukkelijke ontkenning van handschrift of handtekening (art. 8.19 BW).
Een geldige ontkenning vereist een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting waarbij de partij de handtekening of het handschrift formeel betwist. Een vage bewering dat het geschrift “lijkt” op dat van de betrokkene, zonder formele ontkenning, opent de weg naar geen enkel schriftonderzoek. Het Gerechtelijk Wetboek voorziet enkel in een deskundig onderzoek indien een daadwerkelijke ontkenning wordt geformuleerd.
3. Aanvullende bewijsmiddelen en vermoedens
Indien een pacte adjoint niet volledig in geschriften is vastgelegd, kunnen bijkomende bewijsmiddelen toch hun rol spelen. Artikel 8.31 BW erkent de buitengerechtelijke bekentenis, die kan voortvloeien uit gedragingen van een partij. Het stilzwijgend aanvaarden van een bepaalde contractuele uitvoering of het dulden van prestaties die stroken met de gestelde last, kan een bekentenis uitmaken.
Een buitengerechtelijke bekentenis heeft dezelfde bewijswaarde als een gerechtelijke bekentenis en kan dienen om het bestaan van de last aan te tonen, zelfs indien het pacte adjoint zelf geen uitdrukkelijke verwijzing bevat. Ook feitelijke vermoedens, mits ze ernstig, precies en met elkaar overeenstemmend zijn, kunnen een rol spelen (art. 8.17 BW).
4. Gevolgen van niet-naleving van de last
Artikel 4.173 BW bepaalt dat een schenking kan worden ontbonden wegens niet-uitvoering van de lasten. De niet-naleving van de opgelegde last vormt een ernstige wanprestatie die de ontbindingssanctie rechtvaardigt.
De ontbinding heeft tot gevolg dat het geschonkene moet worden teruggegeven. Daarenboven wordt de schenkbelasting onverschuldigd, omdat de rechtshandeling waarop ze steunde zonder voorwerp is geworden. De begiftigde kan daarom gehouden zijn ook de betaalde belasting terug te betalen aan de schenker.
5. Synthese
Het bestaan van een pacte adjoint moet strikt worden bewezen binnen het kader van het civiele bewijsrecht. Ondertekende onderhandse akten zijn essentieel, maar gedragingen en buitengerechtelijke bekentenissen kunnen de bewijsvoering versterken. Bij niet-naleving van een last voorziet de wet expliciet in de mogelijkheid tot ontbinding van de schenking, met de daaruit voortvloeiende verplichting tot teruggave van zowel het geschonkene als de fiscale lasten die eraan verbonden waren.
Praktische tips
Wanneer een schenking gepaard gaat met een pacte adjoint, rust de bewijslast van het bestaan en de inhoud van deze bijkomende overeenkomst op de partij die zich erop beroept. Het is belangrijk de vordering zo te formuleren dat duidelijk wordt welke last werd opgelegd en dat de begiftigde deze heeft aanvaard. Omdat het meestal om rechtshandelingen met een waarde boven 3.500 euro gaat, is een ondertekend geschrift vereist. Een onderhandse akte die ondertekend werd, levert volledig bewijs op tussen de partijen. Enkel een formele en ondubbelzinnige ontkenning van de handtekening of het handschrift kan aanleiding geven tot een schriftonderzoek. Een vage verklaring dat een geschrift lijkt op het handschrift van de betrokken partij volstaat niet om de bewijswaarde van de akte te doorbreken.
Naast geschreven bewijs kunnen gedragingen een doorslaggevende rol spelen. Wanneer de begiftigde zich gedurende langere tijd gedraagt alsof de last wel degelijk deel uitmaakte van de schenking, kan dit worden beschouwd als een buitengerechtelijke bekentenis. Ook langdurig stilzwijgen of het aanvaarden van prestaties in overeenstemming met de beweerde last kan een bekentenis opleveren. Deze buitengerechtelijke bekentenis heeft dezelfde bewijswaarde als een gerechtelijke bekentenis en kan het schriftelijk bewijs versterken. Feitelijke vermoedens, die ernstig, precies en met elkaar overeenstemmend zijn, kunnen dit bewijs verder aanvullen.
Procesrechtelijk is het van belang enkel een schriftonderzoek te vragen wanneer er een geldige ontkenning werd geformuleerd. In andere gevallen blijft de onderhandse akte haar dwingende bewijswaarde behouden. Het is daarom nuttig om in conclusies nadruk te leggen op de stilzwijgende aanvaarding door de begiftigde en dit juridisch te kwalificeren als een bekentenis.
Wanneer voldoende vaststaat dat een schenking belast is met een last en die last niet wordt nageleefd, kan de schenking worden ontbonden. De niet-naleving vormt een ernstige wanprestatie die de ontbinding wettigt. De begiftigde is dan verplicht het geschonkene terug te geven, samen met de betaalde schenkbelasting die haar oorzaak verloren heeft. Vaak is het niet nodig om daarnaast nog een beroep te doen op ondankbaarheid, aangezien ontbinding wegens niet-naleving van de last reeds dezelfde rechtsgevolgen teweegbrengt.
Voor de praktijk betekent dit dat men in een dossier over een betwiste schenking met pacte adjoint best systematisch alle beschikbare stukken verzamelt, nagaat of er gedragingen zijn die een buitengerechtelijke bekentenis opleveren en de tegenpartij desgevallend dwingt een ondubbelzinnige ontkenning te formuleren. Op die manier kan een sluitende bewijsstrategie worden opgebouwd die de vordering tot ontbinding van de schenking kan onderbouwen.