Diensten van advocaten zij soortgelijk aan de diensten van vakbondsafgevaardigden die voor de arbeidsgerechten hun aangesloten vertegenwoordigen en voor hen pleiten Aldus collectiviseren de vakorganisaties het risico op een efficiënte juridische procesbijstand rekening houdend met de onvoldoende individuele financiële draagkracht van hun leden. Ten aanzien van de diensten van advocaten wordt dit risico gebeurlijk op een vergelijkbare wijze gecollectiviseerd via een stelsel van rechtsbijstandverzekeringen.
De lasten van deze rechtsbijstandsystemen verhoogden reeds substantieel door de verhoging van de rechtsplegingsvergoedingen, maar het door de vakorganisaties ingerichte systeem wordt verder scheefgetrokken doordat ze
enerzijds tot betaling worden verplicht, wanneer hun aangeslotene in het ongelijk wordt gesteld, maar anderzijds niet tot recuperatie van hun kosten kunnen komen in het omgekeerde geval.
Het recht op juridische bijstand wordt in artikel 23 van de Grondwet gekaderd binnen de sociaal-economische grondrechten. Deze worden o.m. vormgegeven in het sociaal recht, waarin de ongelijkheid tussen individuen wordt gecorrigeerd door de erkenning van collectieve rechten die het verschil in machtspositie compenseren.
In de mate dat de wet verhaalbaarheid van 21 april 2007 enkel voorziet in de forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen ten voordele van een in het gelijkgestelde partij, die door een advocaat wordt vertegenwoordigd, heeft ze tot gevolg dat de collectivisering van het risico van rechtsbijstand van door vakbondsafgevaardigden vertegenwoordigde werknemers eerder wordt gehypothekeerd dan gecorrigeerd.
Soms wordt deze ongerijmdheid onderkend, doordat ten aanzien van een werknemer, vertegenwoordigd door een vakbondsafgevaardigde, genoegen genomen wordt met de minimumvergoeding. Dit gebeurt ook in deze zaak.
Het Grondwettelijk Hof in het aangehaalde arrest 182/2008 aanvaardt dat, ofschoon in de parlementaire voorbereiding van de wet is verklaard dat het niet de bedoeling is dat de rechtsplegingsvergoeding onder het minimum zou worden verlaagd (Parl. St., Kamer, 2006 -2007, DOC 51 - 2891/002, p. 14) artikel 1022, vierde lid Ger.Wb. ingevolge de standstill- verplichting van artikel 23 van de Grondwet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat de rechtsplegingsvergoeding in dat geval kan worden vastgesteld onder het door de Koning bepaalde minimum. (B.7.6.5 en B.7.6.6).
Artikel 1022, derde lid Ger. Wb. bepaalt immers dat de rechter de rechtsplegingsvergoeding kan verminderen zonder de door de Koning bepaalde ... minimumbedragen te overschrijden.
Het woord overschrijden betekent volgens Van Dale verder gaan dan ( Van Dale, 12e druk, 2177) het tegendeel van overschrijden is onderschrijden( Van Dale, 12e druk, 2025).
Artikel 1022, derde lid Ger. Wb. voorziet niets in verband met het onderschrijden van het minimumbedrag, zodat de rechter bij interpretatie van de wettekst in het licht van de standstill-inhoud van artikel 23 van de Grondwet hiertoe kan beslissen teneinde het syndicaal rechtsbijstandstelsel, dat zijn grondslag vindt in artikel 728 §3 Ger. Wb., in zijn eerdere vorm te zien standhouden.
De precisering van de minister van Justitie in de parlementaire voorbereiding dat de regering niet beoogt toe te staan dat een rechtsplegingsvergoeding onder het minimum wordt vastgelegd doet hieraan geen afbreuk.