Het beginsel van vrijheid van handel dat volgt uit het Decreet d’Allarde dat in ons positief recht nog steeds van toepassing is, kan beperkt worden, doch deze beperkingen dienen redelijk te zijn en mogen niet tot gevolg hebben dat aan een marktdeelnemer de vrijheid van handel wordt ontnomen
De voorwaarden voor de geldigheid van een concurrentiebeding worden getoetst aan een aantal criteria: beperking in de tijd, beperking tot de gebieden waarin de schuldenaar daadwerkelijk zijn activiteiten uitoefende en tot die activiteiten die voldoende nauwkeurig worden opgenomen in het contractueel beding.
Partijen kunnen in onderling overleg overeenkomen om de concurrentie te beperken. Een contractuele beperking van de vrijheid van handel en nijverheid mag echter de mogelijkheid van een contractant om in zijn behoorlijk levensonderhoud te voorzien, niet ernstig in gevaar brengen.
Een niet-concurrentiebeding moet beperkt zijn wat de aard van de uitgesloten activiteiten (activiteiten die rechtstreeks verband houden met de vroegere activiteiten), in tijd (tijd die men nodig heeft om het cliënteel aan zich te binden) en in ruimte (gebied waarin de activiteiten redelijkerwijze werkelijk concurrerend zouden kunnen zijn). …
Het feit dat het principe van de vrijheid van handel en nijverheid uit het Decreet D’Allarde inmiddels werd opgenomen in artikel II.3 van het WER doen geen afbreuk aan het hier geschetste beoordelingskader.
Om uit te maken of een niet-concurrentiebeding voldoende de verboden activiteiten omschrijft, dient niet enkel rekening te worden gehouden met de libellering van de clausule, maar ook met het voorwerp van de overeenkomst waarin het voorkomt. Zo kan uit het voorwerp van de overeenkomst en de context de verboden activiteit blijken met name uit de voorheen tijdens de samenwerking uitgeoefende activiteiten (te dezen met name tot de diensten van boekhoudkundig en/of fiscaal advies).
Wanneer een partijen op het ogenblik van het afsluiten van de samenwerkingsovereenkomst reeds 8 jaar werkzaam is en aldus reeds jaren bekend en vertrouwd is met het cliënteel, is het evident dat een langere duurtijd vereist is om, in het geval van een stopzetting van de samenwerkingsovereenkomst, appellante toe te laten het cliënteel aan zich te binden en komt een termijn van drie jaar niet overdreven voor.
Het te dezen op een duur van drie jaar vastgesteld concurrentieverbod is dan ook voldoende beperkt in de tijd. De mediaan van de gebruikelijke duur is overigens drie jaar.
De vereiste van een geografische of ruimtelijke beperking van een niet-concurrentiebeding immers is gebaseerd op de onderliggende gedachte dat een niet- concurrentiebeding niet tot gevolg mag hebben dat aan een marktdeelnemer de vrijheid van handel wordt ontnomen en/of zijn mogelijkheid om in een behoorlijk levensonderhoud te voorzien ernstig in het gevaar wordt gebracht.
Anders geformuleerd stelt zich de vraag of de afwezigheid van een geografische beperking een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid inhoudt, en derhalve tot de nietigheid van het niet-concurrentiebeding kan leiden.
Wanneer het beding niet verhindert om de activiteiten te blijven uitoefenen en zich in een behoorlijk levensonderhoud te voorzien maar enkel een beperking inhoudt dat er gedurende een periode van drie jaar geen dergelijke diensten aan het bestaande cliënteel mogen verstrekken, is er geen bezwaar tegen de afwezigheid van geografische afbakening.