Uittreksel uit het (nieuw) BW
Art. 5.91. (nieuw) BW “Gerechtelijke ontbinding
De ontbinding kan in rechte worden gevorderd. De rechter kan naargelang de omstandigheden:
1° de ontbinding uitspreken, desgevallend met aanvullend herstel van de schade die niet door de ontbinding hersteld wordt; of
2° de schuldenaar een termijn opleggen om hem de mogelijkheid te bieden zijn verbintenissen na te komen.
Indien elke partij de ontbinding van het contract vordert ten laste van de andere, spreekt de rechter de ontbinding uit ten laste van beide partijen, indien zij elk aansprakelijk zijn voor een niet-nakoming die de ontbinding rechtvaardigt.”
Commentaar bij artikel 5.91 (nieuw) BW
(bron memorie van toelichting bij het wetsvoorstel houdende Boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek)
De schuldeiser die slachtoffer is van een toerekenbare niet-nakoming kan steeds, net zoals voorheen voorzien in artikel 1184 van het oud Burgerlijk Wetboek een vordering tot ontbinding van het wederkerige contract bij de rechter aanhangig maken.
De bepaling van art. 5.91 (nieuw) BW omschrijft ook de rol van de rechter. Naargelang de omstandigheden en in het licht van de ernst van de tekortkomingen die de schuldenaar ten laste worden gelegd, kan de rechter de ontbinding van het contract uitspreken in lastens de tekortkomende schuldenaar. De rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt heeft steeds de verplichting om te beoordelen of de ernst van de tekortkomingen de ontbinding wettigt.
Die beoordelingsbevoegdheid van de rechter moet voorkomen dat de ontbinding zou worden uitgesproken terwijl de ten laste gelegde tekortkomingen slechts gering zijn.
De voldoende ernst als vereiste kan in verband worden gebracht met het proportionaliteitscriterium eigen aan de matigende werking van de goede trouw en aan het verbod op rechtsmisbruik: de ontbinding als sanctie moet in verhouding staan tot de tekortkoming (
Zoals bepaald in het art. 5.90 (nieuw) BW kan de gerechtelijke ontbinding (net als elke buitengerechtelijke ontbinding en de ontbinding wegens voortijdige niet-nakoming) steeds gepaard gaan met een aanvullend schadeherstel.
Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie veronderstelt een vordering tot ontbinding, in de regel, evenwel niet dat de schuldeiser schade zou hebben geleden op de dag van de ontbinding (Cass. 20 november 2008, RG nr. C.06 0293.F, Pas., 2008, 2616 en R.D.C., 2009, 510; S. STIJNS, De gerechtelijke en de buitengerechtelijke ontbinding, 1994, 259, nr. 176; P. VAN OMMESLAGHE, I, 2013, 905-906, nr. 586; P. WÉRY, I, 631, nr. 669).
De schuldeiser die de ontbinding door de rechter vordert, moet het bewijs van zijn schade leveren indien hij ook het herstel ervan vraagt, tenzij hij een schadebeding in werking stelt dat voor die schadecategorie bedongen is.
Wanneer geoordeeld wordt dat de voorwaarden voor de gerechtelijke ontbinding aanwezig zijn, heeft de rechter geen bevoegdheid tot beoordeling van de opportuniteit van de ontbinding
Naargelang de concrete omstandigheden en op verzoek van de schuldenaar of zelfs ambtshalve, kan hij evenwel de schuldenaar een laatste termijn toekennen om hem de gelegenheid tot nakoming te geven.
Deze specifieke respijttermijn is niet onderworpen aan de voorwaarden van ongeluk en van goede trouw van de schuldenaar, eigen aan artikel 1244, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (S. STIJNS, De gerechtelijke en de buitengerechtelijke ontbinding, 1994, 283, nr. 194; P. VAN OMMESLAGHE, I, 2013, 910, nr. 589; P. WÉRY, I, 634, nr. 673, noot nr. 907 en memorie van toelichting bij wetsvoorstel boek 5 verbintenissen van het BW).
Het tweede lid van artikel 5.91 (nieuw) BW codificeert de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat erkend heeft dat de ontbinding kan worden uitgesproken ten nadele van de beide partijen bij een wederkerig contract, mits elk van de contractspartijen de gerechtelijke ontbinding vordert en de wederzijdse tekortkomingen voldoende ernstig zijn.
De ontbinding van het contract ten nadele van elke partij stelt hen niet vrij van hun contractuele aansprakelijkheid.
Het herstel van de schade zal niet automatisch bij helften worden verdeeld tussen de twee betrokken partijen, maar in verhouding staan tot hun aandeel in de aansprakelijkheid voor de contractuele schade. De rechter die een wederkerige overeenkomst wegens de wanprestatie van de beide partijen ontbonden verklaart, moet de schade, waarop iedere partij recht heeft wegens het niet-nakomen door de andere partij van haar verbintenissen, bepalen in evenredigheid met de ernst van de respectieve tekortkomingen.
De omstandigheid dat beide partijen hun verbintenissen niet zijn nagekomen, heft hun aansprakelijkheid niet op, noch hun gehoudenheid, in evenredigheid met hun aandeel in die aansprakelijkheid, tot vergoeding aan de andere partij van de schade die het onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is van hun tekortkomingen.”