Naast de verplichting tot informatieverstrekking en het geven van passende toelichtingen, legt de wetgever een bijkomende, inhoudelijk zwaardere verplichting op aan kredietgevers en kredietbemiddelaars: de raadgevingsverbintenis (Art. VII.75 WER). Deze verplichting is een actieve zorgplicht die erop gericht is om de consument te beschermen tegen kredietproducten die niet aansluiten bij zijn doelstellingen of financiële draagkracht. Zij vormt een verdere concretisering van het principe dat kredietverlening niet louter een commerciële handeling is, maar een activiteit met maatschappelijk gewicht en risico’s.
1. De kern van de verplichting: het zoeken naar het best aangepaste krediet
De wet bepaalt dat kredietgevers en kredietbemiddelaars verplicht zijn, voor de kredietovereenkomsten die zij gewoonlijk aanbieden of waarvoor zij bemiddelen, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast. Deze verplichting betreft dus twee dimensies:
-
• De soort krediet: bv. lening op afbetaling, verkoop op afbetaling, kredietopening, geoorloofde debetstand.
-
• Het bedrag van het krediet: het krediet mag niet hoger liggen dan wat verantwoord is gelet op de financiële situatie van de consument én niet lager dan wat noodzakelijk is om het opgegeven doel te bereiken.
Deze verplichting overstijgt loutere informatieverstrekking: de kredietgever moet actief meedenken en doorvragen om het juiste product te selecteren binnen zijn aanbod.
2. Afstemming op de financiële toestand van de consument
Het advies moet worden uitgebracht rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Dit veronderstelt dat de kredietgever gebruikmaakt van:
-
• de gegevens uit de vragenlijst (inkomen, lasten, openstaande kredieten),
-
• de resultaten van de raadpleging van de Centrale voor Kredieten,
-
• interne risicomodellen, voor zover deze correct en niet-discriminerend worden toegepast,
-
• eventuele bijkomende informatie die de consument uit eigen beweging heeft verstrekt.
De raadgevingsverbintenis is dus functioneel gekoppeld aan de voorafgaande inlichtingenplicht en de kredietwaardigheidsbeoordeling: zonder voldoende gegevens is een adequaat advies niet mogelijk.
3. Afstemming op het doel van het krediet
Naast de financiële situatie moet ook het doel van het krediet worden geïntegreerd in het advies. Voorbeelden:
-
• Een herfinancieringskrediet vereist een andere analyse dan een krediet voor duurzame goederen.
-
• Een krediet voor een dringende medische uitgave zal anders worden beoordeeld dan een kredietopening voor regelmatig gebruik.
-
• Wanneer de consument het doel niet kent of niet duidelijk formuleert, moet de kredietgever hier actief naar vragen.
Het doel van het krediet kan bepaalde kredietvormen uitsluiten. Zo is een kredietopening zelden geschikt voor een investering met vaste kost en aflossingsritme, terwijl een lening op afbetaling meestal geen zin heeft voor kortstondige en herhaalde uitgaven.
4. Beperking tot het “gebruikelijke aanbod” van de kredietgever
De verbintenis geldt enkel voor de kredieten die de kredietgever:
De wet verplicht dus niet tot een marktanalyse over producten van concurrenten. De verplichting blijft intern gericht: de kredietgever moet binnen zijn eigen productgamma het meest geschikte krediet identificeren.
Dit neemt niet weg dat de kredietgever geen krediet mag aanbevelen dat duidelijk minder geschikt is dan een ander product dat hij zelf aanbiedt, louter omdat het commercieel interessanter is. De bescherming van de consument primeert.
5. De actieve rol van de kredietbemiddelaar
Voor kredietbemiddelaars geldt dezelfde verplichting. Hun advisering is echter bijzonder omdat:
-
• zij vaak meerdere kredietgevers vertegenwoordigen,
-
• hun vergoeding soms afhankelijk is van het gekozen product.
De wetgever verplicht de bemiddelaar om ondanks deze commerciële dynamiek het belang van de consument centraal te zetten. Dit betekent onder meer dat:
-
• de bemiddelaar geen krediet mag aanbevelen omdat het een hogere commissie oplevert,
-
• hij moet aangeven of hij onafhankelijk is of verbonden agent,
-
• hij enkel kredieten mag adviseren waarvoor hij voldoende informatie heeft om een adequaat vergelijkend oordeel te vormen.
6. De reikwijdte van de verplichting: geen absolute resultaatsverbintenis
De raadgevingsverbintenis is een middelenverbintenis met een hoge zorggraad: de kredietgever moet alle redelijke stappen ondernemen om het best aangepaste krediet te selecteren, maar staat niet in voor het uiteindelijke financiële succes of gedrag van de consument.
Belangrijk is dat de beoordeling plaatsvindt op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst: latere omstandigheden of betalingsproblemen wijzen niet automatisch op een schending van de raadgevingsverplichting.
7. Inhoudelijke verbinding met andere verplichtingen
De raadgevingsverbintenis functioneert niet op zichzelf maar in samenhang met:
-
• de informatieverplichtingen (de kredietgever moet weten wat de consument nodig heeft),
-
• de passende toelichtingen (de consument moet begrijpen waarom een krediet wordt geadviseerd),
-
• de kredietwaardigheidsbeoordeling (het advies mag niet ingaan tegen objectieve risicoparameters).
Een schending van één van deze stappen kan wijzen op een gebrekkig advies.
8. Gevolgen van schending
Hoewel de wettekst zelf geen specifieke sanctie koppelt aan de schending van de raadgevingsverbintenis, kunnen de gevolgen zich manifesteren via:
-
• aansprakelijkheid van de kredietgever wegens fout of misleidend advies,
-
• tuchtrechtelijke of administratieve maatregelen door toezichthouders,
-
• impact op de geldigheid of tegenwerpelijkheid van bepaalde contractuele bepalingen,
-
• een rechterlijke beoordeling van de kredietovereenkomst in het kader van overkreditering.
In de rechtspraak wordt de raadgevingsverbintenis steeds meer benaderd als een concrete invulling van de algemene zorgvuldigheidsnorm binnen de financiële sector.
FAQ – De raadgevingsverbintenis (art. VII.75 WER)
1. Wat houdt de raadgevingsverbintenis precies in?
De raadgevingsverbintenis verplicht de kredietgever en de kredietbemiddelaar om, binnen de kredietproducten die zij gewoonlijk aanbieden, het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is afgestemd op de financiële situatie en het doel van de consument. Zij moeten dus actief meedenken en adviseren.
2. Waarom bestaat deze adviesplicht?
Omdat veel consumenten onvoldoende inzicht hebben in verschillende kredietvormen en hun gevolgen. De wetgever wil voorkomen dat consumenten krediet nemen dat zij niet begrijpen, niet nodig hebben of niet kunnen terugbetalen. Daarom moet de kredietgever niet alleen informeren, maar ook adviseren.
3. Moet de kredietgever alle kredietproducten op de markt vergelijken?
Nee. De verplichting beperkt zich tot de producten die de kredietgever zelf aanbiedt of waarvoor de bemiddelaar gewoonlijk bemiddelt. Er is geen verplichting om producten van andere instellingen te vergelijken.
4. Hoe ver gaat de raadgevingsplicht?
De verplichting is een middelenverbintenis: de kredietgever moet de nodige inspanningen leveren om tot het best aangepaste kredietvoorstel te komen, maar staat niet in voor de latere financiële uitkomst. Onzorgvuldigheid, oppervlakkige beoordeling of het bewust sturen naar een commercieel aantrekkelijker product kan echter een schending vormen.
5. Hoe verhoudt de raadgevingsplicht zich tot de informatieplicht?
De informatieplicht is passief: de kredietgever verstrekt correcte, volledige en transparante informatie.
De raadgevingsplicht is actief: de kredietgever neemt een standpunt in en wijst de consument het meest geschikte product aan. Beide verplichtingen vullen elkaar aan.
6. Welke factoren moet de kredietgever in rekening brengen?
Minstens:
• de financiële toestand van de consument (inkomen, lasten, bestaande kredieten),
• de terugbetalingscapaciteit,
• het doel van het krediet,
• de risico’s verbonden aan de kredietvorm,
• mogelijke geschiktheid van alternatieve producten binnen het eigen aanbod.
7. Wat als geen enkel krediet in het aanbod geschikt is?
Dan mag de kredietgever het krediet niet toekennen.
De raadgevingsplicht gaat in dat geval samen met de onthoudingsplicht: wanneer de consument het krediet redelijkerwijze niet kan dragen, is de enige correcte “raad” om géén krediet te verlenen.
8. Is een bemiddelaar aan dezelfde verplichtingen onderworpen?
Ja. Een kredietbemiddelaar moet eveneens het best aangepaste krediet zoeken binnen de producten waarvoor hij bemiddelt. Hij mag geen producten aanbevelen die vooral in zijn eigen belang zijn, bijvoorbeeld omwille van een hogere commissie.
9. Kan een consument achteraf klagen over een foutief advies?
Ja. Als de kredietgever onvoldoende inspanningen heeft geleverd of een duidelijk ongeschikt krediet heeft geadviseerd, kan hij aansprakelijk worden gesteld. De consument kan schadevergoeding vorderen of zich beroepen op wettelijke sancties die de rechter toekent.
10. Welke sancties kan de rechter opleggen bij schending van de raadgevingsplicht?
De rechter kan:
• de consument bevrijden van nalatigheidsinteresten,
• de verplichtingen herleiden tot het ontleende bedrag of tot de contante prijs van het goed,
• andere corrigerende maatregelen treffen.
Daarnaast blijven ook de klassieke aansprakelijkheidsregels toepasbaar.
11. Kan de kredietgever zich beschermen via standaardclausules?
Nee. Een automatische verklaring van de consument dat hij correct werd geadviseerd, volstaat niet. Wat telt, is of de kredietgever daadwerkelijk inspanningen heeft geleverd om het meest geschikte krediet te identificeren.
12. Wat is het verschil met de passende toelichting?
• Passende toelichting: uitleg geven zodat de consument begrijpt wat het krediet inhoudt.
• Raadgevingsverbintenis: adviseren welk krediet het meest geschikt is.
Beide verplichtingen zijn aanvullend maar onderscheiden in doel en inhoud.
13. Speelt Europees recht hierbij een rol?
De Europese richtlijn consumentenkrediet verplicht lidstaten niet tot een algemene raadgevingsplicht, maar laat deze wel toe. België heeft bewust gekozen om een verregaande bescherming te behouden door een algemene adviesplicht te voorzien.