Dit arrest bespreekt de verhouding tussen de regels inzake de subsidiaire aanslag in de inkomstenbelastingen en de bijzondere regeling die geldt voor vereffenaars na de sluiting van de vereffening. Centraal staat de vraag gedurende welke periode een vereffenaar als een met de belastingschuldige gelijkgestelde persoon kan worden aangesproken voor de toepassing van de artikelen 356 en 357 WIB92.
Het wettelijk kader voorziet dat, wanneer een oorspronkelijke aanslag om een andere reden dan verjaring nietig wordt verklaard, de administratie binnen een beperkte termijn een subsidiaire aanslag kan voorleggen aan de rechter. Voor rechtspersonen waarvan de vereffening is gesloten, wordt de vereffenaar gedurende een bepaalde periode met de belastingschuldige gelijkgesteld, zodat een subsidiaire aanslag ook in zijn naam kan worden gevestigd.
De cruciale bepaling in dit verband is de verwijzing in artikel 357, 5° WIB92 naar de termijn van vijf jaar voorzien in artikel 2:143 WVV. Deze bepaling regelt de periode waarin rechtsvorderingen tegen vereffenaars als zodanig kunnen worden ingesteld. Het gevolg hiervan is dat de hoedanigheid van gelijkgestelde belastingschuldige voor de vereffenaar strikt temporeel is beperkt tot deze vijfjarige periode vanaf de bekendmaking van de sluiting van de vereffening.
De rechtsregel die uit de rechtspraak volgt, is helder: eens deze termijn verstreken is, vervalt voor de vereffenaar de mogelijkheid om nog als gelijkgestelde belastingplichtige te worden aangemerkt voor de toepassing van de subsidiaire aanslag. Na afloop van de vijfjarige periode kan de administratie dus geen subsidiaire aanslag meer vestigen op naam van de vereffenaar, ook al werd de oorspronkelijke aanslag nietig verklaard en ook al werd de mogelijkheid van artikel 356 WIB92 opengesteld.
De rechterlijke beoordeling benadrukt dat de duidelijke tekst van de wet primerend is. De verwijzing naar de periode van artikel 2:143 WVV is doorslaggevend en kan niet worden genegeerd of gerelativeerd door een alternatieve interpretatie die de toepassing van artikel 356 WIB92 zou verruimen. De vereffenaar is slechts gedurende deze periode van vijf jaar een met de belastingplichtige gelijkgestelde persoon; buiten deze termijn ontbreekt de wettelijke basis om hem nog te belasten via een subsidiaire aanslag.
Deze lezing bevestigt de strikte temporaliteit van de fiscale aansprakelijkheid van de vereffenaar na de sluiting van de vereffening en markeert een duidelijke beperking van de mogelijkheden van de administratie om alsnog verhaal te zoeken na het wegvallen van de oorspronkelijke aanslag.