Er bestaat geen enkele wettelijke bepaling die stelt dat het voor eensluidend verklaren van de afschriften van het dwangbevel door de ontvanger zelf moet gebeuren.
Art. 85, §1 BTW-Wet bepaalt dat het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW of de door hem aangewezen persoon. Hierbij worden geen verdere vormvoorschriften voorgeschreven. Het visum en de uitvoerbaarverklaring voegen niets toe aan de authentieke akte waarvan de inhoud niet wordt gewijzigd of uitgebreid. Zij zijn enkel een wettelijke vereiste zonder hetwelk het dwangbevel niet uitvoerbaar zou zijn.
Krachtens het toepasselijk artikel 85, §1, tweede lid BTWWet gebeurt de kennisgeving van het dwangbevel bij ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk per post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag. Die kennisgeving stelt de belastingplichtige eveneens in staat verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.
Geen enkele wetsbepaling legt aan de administratie de verplichting op de BTW-belastingschuldige te horen alvorens over te gaan tot de procedure van invordering bij wijze van dwangbevel. Anderzijds zijn het proces-verbaal van 5 november 1985 en het dwangbevel voldoende gemotiveerd.
De fiscus mag het verschuldigd zijn van de belasting bewijzen door vermoedens. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te komen tot een onbekend feit.
Een indiciaire taxatie impliceert dat de herkomst van de geldsommen geacht worden voort te komen van belastbare inkomsten. Dit gegeven is een bekend feit.
Uit dit gegeven mag de Belgische Staat af te leiden dat de hogere winsten op het stuk van de inkomstenbelastingen ook gepaard gingen met hogere omzetten, waarop de BTW verschuldigd is.
Daartoe dient de fiscus te bewijzen dat de bijkomende winsten voortspruiten uit handelingen die aan BTW zijn onderworpen.
Wanneer een opgelegde BTW geldboete als een strafsanctie te beschouwen is mag de rechter de wettelijkheid van dergelijke sanctie te onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van de internationale verdragen en van het interne recht met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit houdt ook in dat het Hof mag nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk.