Het komt niet aan de rechtbank toe om de herkomst van het gevorderde hoofdsombedrag zélf bijeen te puzzelen door het samenlezen van de verschillende (niet-geïnventariseerde) kopies die een eisende partij voorlegt. Bij gebreke hieraan bewijst de eisende partij haar vordering niet.
Ingevolge het niet voorhanden zijn van het instrumentum waarop eisende partij zich beroept (de beweerde factuur) en wanneer de eisende partij anderzijds ook niet de initiële overeenkomst met de verwerende partij)voorlegt, is het bestaan van de schuldvordering niet behoorlijk schriftelijk vastgesteld, namelijk met een geschrift in de zin van art. 2274 BW, waaruit de erkenning van de schuld door de schuldenaar blijkt of minstens met zekerheid kan worden afgeleid.
Voor het antwoord op de vraag "Wat is een geschrift in de zin van art. 2274 B.W.?", zie Marijn DE RUYSSCHER, noot onder Cass. 8 januari 2015, RW 2015-16, p. 821, nr. 13. In dit laatste arrest dd. 8 januari 2015 besliste het Hof van Cassatie dat de korte verjaringstermijn van art. 2272, tweede lid BW ( één jaar) van toepassing blijft op de rechtsvordering van een energieleverancier ( eisende partij) aan een particuliere consument (verwerende partij) tot betaling van periodieke elektriciteitsleveringen, wanneer er, zoals in casu, géén geschrift voorhanden is waaruit de erkenning door de schuldenaar (verwerende partij) van het bestaan van de schuld blijkt, zulks dus in afwijking van de vijfjarige verjaringstermijn van art. 2277 BW. Als gevolg daarvan is de hier voorliggende rechtsvordering eveneens verjaard (inleidende dagvaarding dateert slechts van 8 november 2017, toen de éénjarige termijn reeds geruime tijd verstreken was).
Onder gelding van de oude regelgeving bestonden nog uiteenlopende standpunten met betrekking tot de verjaringstermijn van toepassing voor de invordering van energiefacturen (elektriciteit, maar ook gas en water). Volgens sommigen verjaarden deze schuldvorderingen reeds na één jaar (art. 2272, lid 2 BW), volgens anderen na vijf jaar (art. 2277 BW) en volgens nog anderen na tien jaar (art. 2262bis BW). Art. 48 van de wet dd. 6 juli 2017 (BS 24 juli 2017) houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke (sic) recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie, heeft een tweede alinea toegevoegd aan art. 2277 BW luidende als volgt: "Schuldvorderingen wegens levering van goederen en diensten via distributienetten voor water, gas of elektriciteit of de levering van elektronische communicatiediensten of omroeptransmissie en omroepdiensten via elektronische communicatienetwerken verjaren na verloop van vijf jaren". Vanaf 3 augustus 2017 (datum inwerkingtreding wet 6 juli 2017) bedraagt de verjaringstermijn voor energiefacturen dus uniform vijf jaar.
Wanneer een wet de verjaringstermijn verlengt, dan blijft de een onder de oude wet reeds verjaarde vordering verjaard, ook al zou de vordering bij toepassing van de nieuwe wet nog niet verjaard zijn.