Wanneer een onroerend goed niet wordt verhuurd, gaat de fiscus er toch van uit dat de eigenaar er een persoonlijk voordeel uit haalt. Dat voordeel wordt geraamd op basis van het kadastraal inkomen, eventueel verhoogd met een forfait.
Voor in België gelegen niet-verhuurde goederen geldt dat de eigenaar wordt belast op het kadastraal inkomen, verhoogd met 40%. Er zijn wel uitzonderingen: voor ongebouwde goederen, voor materieel en outillage die door hun aard of bestemming onroerend zijn, en voor de eigen woning blijft het belastbaar inkomen beperkt tot het niet-geïndexeerde kadastraal inkomen.
Omdat de perequatie van de kadastrale inkomens al decennia niet meer werd doorgevoerd, wordt jaarlijks gewerkt met indexatie. De wet voorziet een coëfficiënt die het kadastraal inkomen aanpast aan de economische realiteit.
Voor buitenlandse niet-verhuurde onroerende goederen wordt een andere methode toegepast. Daar wordt gekeken naar de gemiddelde brutohuur die men volgens de gebruiken in het betrokken land had kunnen verkrijgen. Op dat bedrag mag een forfaitaire aftrek worden toegepast: 40% bij gebouwde goederen en 10% bij ongebouwde goederen.
Deze verschillende behandeling van Belgische en buitenlandse eigendommen heeft tot belangrijke rechtspraak geleid. Het Hof van Justitie oordeelde dat het onderscheid strijdig kan zijn met het vrij verkeer van kapitaal. De reden is dat de belastbare basis voor buitenlandse eigendommen doorgaans hoger uitvalt dan die voor Belgische eigendommen, wat een discriminerend effect kan hebben. Belgische hoven en rechtbanken hebben dit gevolgd en aanvaard dat voor bepaalde buitenlandse eigendommen rekening mag worden gehouden met waarderingsmethoden die aansluiten bij de plaatselijke praktijk, zoals de Franse “valeur locative”. Ook de administratie past dit standpunt intussen toe.
De fiscale behandeling van niet-verhuurde goederen toont dus hoezeer de Belgische vastgoedfiscaliteit niet alleen nationaal, maar ook Europees wordt gekleurd. Het onderscheid tussen Belgische en buitenlandse eigendommen blijft een spanningsveld dat in de rechtspraak en praktijk voortdurend aandacht krijgt.