Wanneer een onroerend goed in België wordt verhuurd, maakt de fiscale behandeling een duidelijk onderscheid tussen het gebruik voor privédoeleinden en voor beroepsdoeleinden. Dit onderscheid bepaalt of enkel het kadastraal inkomen of de werkelijke huur wordt belast.
Voor ongebouwde goederen en materieel of outillage die van nature of door hun bestemming onroerend zijn, blijft het belastbare inkomen beperkt tot het kadastraal inkomen, op voorwaarde dat de huurder het goed uitsluitend privé gebruikt. Ook wanneer een gebouw verhuurd wordt aan een particulier die het uitsluitend als woning gebruikt, wordt in principe enkel het kadastraal inkomen in aanmerking genomen, verhoogd met 40%. Een gelijkaardige regeling geldt wanneer het goed aan een rechtspersoon wordt verhuurd die het uitsluitend ter beschikking stelt voor bewoning, bijvoorbeeld een instelling die woningen aanbiedt voor sociale doeleinden.
Wordt het onroerend goed daarentegen beroepsmatig gebruikt, dan verandert de fiscale behandeling ingrijpend. In dat geval wordt de werkelijk ontvangen huur, samen met eventuele huurvoordelen, belast. Het belastbaar inkomen mag wel niet lager zijn dan het (geïndexeerde) kadastraal inkomen, verhoogd met 40% in geval van een gebouw. Onder huurvoordelen verstaat men verplichtingen of werken die de huurder ten laste neemt in plaats van de verhuurder. Ook investeringen of herstellingen door de huurder kunnen dus mee als belastbare voordelen worden beschouwd.
Bijzondere situaties hebben in de rechtspraak en praktijk tot verfijningen geleid. Zo wordt een verhuur aan een vennootschap die de woning aan haar directeur ter beschikking stelt, beschouwd als beroepsmatige verhuur, zelfs wanneer het contract stipuleert dat de woning enkel privé mag worden gebruikt. Ook wanneer een werkgever de huur van een woning ten voordele van zijn werknemer betaalt en aftrekt als beroepskost, wordt de verhuurder belast op de werkelijke huur. Omgekeerd geldt dat bij onderverhuur de hoofdverhuurder in principe enkel op het kadastraal inkomen belastbaar blijft, tenzij sprake is van simulatie of fiscaal misbruik.
Daarnaast voorziet de wet in forfaitaire aftrekken voor onderhouds- en herstellingskosten: 40% bij gebouwde goederen en 10% bij ongebouwde. Deze aftrekken zijn echter geplafonneerd, zodat het voordeel niet onbeperkt kan oplopen. Achterstallige huur wordt belast in het jaar van effectieve ontvangst. Ook opzeggingsvergoedingen en vergoedingen voor het gebruik van een goed (bijvoorbeeld zand- of steengroeven, of zendmasten op een gebouw) worden als onroerend inkomen belast.
Samengevat wordt bij verhuur in België vooral gekeken naar de bestemming van het goed. Privégebruik leidt tot een belasting op basis van het kadastraal inkomen, beroepsgebruik tot belasting op de reële inkomsten. Daarmee volgt de Belgische fiscus het principe dat wie inkomsten uit vastgoed haalt in een professionele context, deze ook volledig in de personenbelasting moet aangeven.