De proceskostenregeling stelt ook bijzondere vragen wanneer derden tussenkomen in een procedure, hetzij uit eigen beweging (vrijwillige tussenkomst), hetzij op initiatief van een van de oorspronkelijke partijen (tussenkomst op verzoek of opvordering).
Bij vrijwillige tussenkomst sluit de derde zich aan bij het geding op eigen initiatief. In dat geval geldt dat hij zelf het risico draagt van zijn tussenkomst: wordt hij in het ongelijk gesteld ten aanzien van zijn vordering of standpunt, dan kan hij veroordeeld worden tot de gedingkosten, inclusief een rechtsplegingsvergoeding ten voordele van de andere partijen. Wordt zijn tussenkomst gegrond bevonden, dan heeft ook hij recht op vergoeding van zijn kosten.
Bij een tussenkomst op verzoek van een partij, waarbij bijvoorbeeld een hoofdpartij een derde in het geding betrekt, rijst de vraag wie verantwoordelijk is voor de kosten verbonden aan die tussenkomst. In de praktijk zal dit afhangen van de uitkomst van het geschil ten aanzien van die derde. Wordt de derde ten onrechte opgevorderd, dan kan de partij die hem ten onrechte betrokken heeft tot diens kosten worden veroordeeld.
In beide situaties is het van belang dat de rechter in zijn beslissing duidelijk vermeldt welke partij tot de kosten wordt veroordeeld en hoe deze worden berekend ten aanzien van elke procespartij afzonderlijk. Dit is des te belangrijker in complexe gedingen met meerdere partijen en uiteenlopende procesbelangen.
Ook in dit kader speelt de rechtsplegingsvergoeding een centrale rol. Elke tussenkomende partij kan aanspraak maken op een vergoeding, of kan worden veroordeeld tot betaling ervan, afhankelijk van haar proceshouding en het resultaat van het geschil.
Voor meer duiding bij deze principes, zie de bijdrage van Stefaan Voet en Charlotte Teeuwens, “Gedingkosten in burgerlijke zaken en de rechtsplegingsvergoeding in het bijzonder: een stand van zaken”, Rechtskundig Weekblad, 2024-2025, afl. 20, p. 1414