Wanneer een verstekvonnis wordt aangevochten via de procedure op tegenspraak, rijzen er specifieke vragen met betrekking tot de gedingkosten, zowel van het oorspronkelijke geding als van de procedure op tegenspraak.
In beginsel gelden in de procedure op tegenspraak dezelfde regels inzake kostenveroordeling als in elke andere procedure: de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld tot de kosten (art. 1017 Ger.W.). Daarbij horen opnieuw de dagvaardingskosten, rolrechten en de rechtsplegingsvergoeding.
Een belangrijk aandachtspunt is de dubbele fase van de procedure: eerst het verstekvonnis, vervolgens het debat op tegenspraak. Bij het wijzen van het vonnis op tegenspraak moet de rechter oordelen over de kosten van het volledige geding, dus zowel van het verstek als van de tegenspraak.
Wordt de oorspronkelijk verstek latende partij op tegenspraak alsnog in het gelijk gesteld, dan kan zij recht hebben op terugbetaling van de kosten die zij eerder (bijvoorbeeld via uitvoeringsmaatregelen) heeft moeten dragen. Omgekeerd behoudt de partij die het verstek vonnis heeft verkregen in principe de kostenveroordeling, indien het vonnis op tegenspraak dat bevestigt.
De rechtsplegingsvergoeding in de procedure op tegenspraak vormt een afzonderlijke kostenelement en wordt dus los van de vergoeding in de verstekprocedure toegekend. Dit betekent dat beide partijen in principe tweemaal een rechtsplegingsvergoeding kunnen vorderen of verschuldigd zijn, afhankelijk van het resultaat van elk van beide fasen.
De rechter dient, zoals steeds, een duidelijke motivering te geven indien hij afwijkt van het basisbedrag of beslist tot compensatie of verdeling van de kosten.
Voor meer duiding bij deze principes, zie de bijdrage van Stefaan Voet en Charlotte Teeuwens, “Gedingkosten in burgerlijke zaken en de rechtsplegingsvergoeding in het bijzonder: een stand van zaken”, Rechtskundig Weekblad, 2024-2025, afl. 20, p. 1414