Art. 202. Sw 2024 (inwerking 8 april 2026) Gewelddaden gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie stelt:
“Gewelddaden gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie worden, indien het misdrijf is gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van deze functie, als volgt bestraft:
1° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de eerste graad of zonder integriteitsaantasting tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 2;
2° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de tweede graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 3;
3° gewelddaden met een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 4;
4° gewelddaden met de dood tot gevolg worden bestraft met een straf van niveau 5.”
Commentaar:
Doorheen het Strafwetboek 1867 worden gewelddaden op personen die bijzonder kwetsbaar zijn voor gewelddaden gelet op de aard van hun functie en het contact met het publiek dat ermee samenhangt op zeer verschillende manieren benaderd. De strafmaten zijn onderling erg verschillend alsook het materieel toepassingsgebied van de strafverzwaringen die kunnen worden toegepast. Concreet zijn er verschillende beschermingsregimes in het Sw. 1867 voor:
— bedienaren van de eredienst (art. 145-146 Sw.);
— parlementsleden, ministers, leden van het Grondwettelijk Hof, magistraten en officieren van de openbare macht in actieve dienst (art. 278-279bis Sw.);
— ministeriële ambtenaren, agenten die drager zijn van het openbaar gezag of de openbare macht en elke andere persoon met een openbare hoedanigheid bekleed (art. 280 Sw.);
— getuigen en juryleden (art. 282 Sw.);
— personen die een opdracht van functionele openbare dienst of een opdracht van algemeen belang vervullen en verplicht zijn contact te hebben met het publiek, personen actief in een onderwijsinstelling of een medisch-pedagogisch instituut (artikel 410bis Sw.);
— scheidsrechters en seingevers bij sportwedstrijden (art. 410ter Sw.).
Niet alleen is de afbakening van de verschillende groepen soms onduidelijk (zie ook de memorie van toelichting met betrekking tot de in het Sw. 2024 gebruikte omschrijving van de beschermde functies), ook de toepasselijke strafmaten zijn in het Sw. 1867 niet consequent: voor de lichtere vormen van geweld is de strafmaat voor feiten gepleegd op personen uit artikel 278 Sw. 1867 het hoogste, voor zwaardere feiten die voor feiten gepleegd op personen uit artikel 280 en 410bis Sw. 1867 en voor de allerzwaarste feiten die voor feiten gepleegd op personen uit artikel 410bis Sw. 1867
Om een einde te maken aan deze incoherentie, wordt in het Sw. 2024 geopteerd voor een eenvormige regeling van strafverzwaring. Alleen feiten tegen de scheidsrechters en seingevers bij sportwedstrijden worden niet opgenomen in deze regeling aangezien deze, terecht, vandaag slechts aanleiding geven tot verhoging van de minimumstraf. Bijgevolg zijn deze feiten in het Sw. 2024 voorwerp van een verzwarende factor (artikel 204 Sw. 2024).
Opdat het verzwarend bestanddeel toepassing zou kunnen vinden, is vereist dat de feiten werden gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van de beschermde functie. Via dit criterium (dat verder wordt toegelicht onder artikel 79, 14° Sw. 2024) wordt ook komaf gemaakt met de onder de gelding van het Sw. 1867 bestaande incoherentie tussen de verschillende strafverzwaring, waar soms sprake is van “in de uitoefening van deze bediening” en soms van “ter gelegenheid van de uitoefening van deze bediening.
De onder de gelding van het Sw. 1867 verzwarende omstandigheid dat de feiten worden gepleegd in de vergadering van een der Kamers of op de terechtzitting van een hof of een rechtbank (art. 278, tweede lid, Sw. 1867) werd niet weerhouden in het Sw. 2024.
Het verzwarend karakter dat hiermee mogelijk samenhangt wordt reeds voldoende ondervangen door het vereiste dat de feiten moeten zijn gepleegd naar aanleiding van de uitoefening van de beschermde functie.
De verhoging van de straffen is bedoeld om geweld tegen de politie en geweld tegen andere personen die een maatschappelijke functie vervullen en uit hoofde van hun beroep in contact komen met het publiek, doeltreffender te bestrijden. In dit verband wordt verwezen naar de rechtvaardiging in artikel 102, Sw. 2024 waarin doodslag op een persoon met een maatschappelijke functie, strafbaar wordt gesteld.
Basismisdrijf
Art. 193. Sw 2024 (in werking 8 april 2026) Definitie van gewelddaden stelt:
Gewelddaden zijn alle opzettelijk gestelde gedragingen die bestaan uit:
1° het aanwenden van fysieke kracht of macht tegen een ander persoon en die uit hun aard de mogelijkheid hebben te resulteren in een lichamelijk letsel, pijn of schade aan de gezondheid, of;
2° het op eender welke wijze toebrengen aan een ander persoon van een lichamelijk letsel of schade aan zijn gezondheid.”
Commentaar:
Gewelddaden worden in deze bepaling omschreven als alle opzettelijk gestelde gedragingen die bestaan in:
1° het aanwenden van fysieke kracht of macht tegen een ander persoon en die uit hun aard de mogelijkheid hebben te resulteren in een lichamelijk letsel, pijn of schade aan de gezondheid, of;
2° het op eender welke wijze toebrengen aan een ander persoon van een lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid.
Onder het eerste luik van de definitie vallen in belangrijke mate de gedragingen die onder het huidige Strafwetboek als slagen, feitelijkheden of lichte gewelddaden zouden worden omschreven.
Het aanwenden van fysieke kracht kan bijvoorbeeld bestaan uit het slagen van een persoon, het geven van een duw, het werpen of afvuren van een projectiel tegen het slachtoffer, …
Het aanwenden van fysieke macht kan bijvoorbeeld bestaan uit het ophitsen van honden tegen het slachtoffer en deze vervolgens op hem loslaten, het door iemands lichaam jagen van een lichte stroomstoot, …
Aangezien het hier gaat om een gedraging die niet noodzakelijk daadwerkelijk resulteert in een lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid, is de strafbaarheid beperkt tot de gevallen waarin de gedraging bestaat uit een positieve gedraging (nl. het aanwenden van fysieke kracht of macht). Een nalaten valt niet onder deze groep van gewelddaden. Indien een nalaten wel resulteert in een lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid, is deze wel strafbaar onder de tweede groep van gewelddaden.
Gelet op de stijging van de strafmaat in het strafwetboek 2024 voor de feiten ten opzichte van het Strafwetboek 1867 voor die feiten die onder de gelding van het Strafwetboek 1867 worden beschouwd als feitelijkheden en lichte gewelddaden, wordt de grens van de strafbaarheid in het Strafwetboek 2024 wel enigszins opgetrokken door te vereisen dat de handeling uit zijn aard de mogelijkheid moet hebben gehad om een lichamelijk letsel, pijn of schade aan de gezondheid te veroorzaken.
Deze mogelijkheid om te resulteren in een lichamelijk letsel, pijn of schade aan de gezondheid moet worden beoordeeld in het licht van de mate waarin een dergelijke gedraging van aard is om dergelijk gevolg teweeg te kunnen brengen bij een gemiddeld vergelijkbaar persoon in dezelfde omstandigheden. Op die manier wordt het verschil in pijngrens of uitzonderlijke kwetsbaarheid van het slachtoffer niet aan de dader toegerekend. Er kan daarbij wel rekening worden gehouden met bijvoorbeeld de leeftijd van het slachtoffer.
De mogelijkheid om te resulteren in een lichamelijk letsel, pijn of schade aan de gezondheid volstaat. Het is niet vereist dat dit resultaat zich ook daadwerkelijk voordoet. Het kan bijvoorbeeld gaan om het duwen van een persoon, die zich nog kan vastgrijpen aan een voorwerp om zich staande te houden waardoor hij geen val maakt.
Op die manier wordt de strafbaarheid dus beperkt tot gedragingen die van aard zijn om de fysieke of psychische integriteit te kunnen schaden. Gedragingen die louter hinderlijk zijn zonder dat zij een dergelijk gevolg kunnen hebben, voldoen ofwel niet aan de vereisten van strafwaardigheid ofwel zijn zij strafbaar onder een andere strafbaarstelling.
Zo kan het bevuilen van of trekken aan de kleding van het slachtoffer onder bepaalde omstandigheden worden beschouwd als een beschadiging van roerende goederen. Het in de war brengen van iemands kapsel of een persoon ongevraagd aanraken (op een manier die geen aanranding van de eerbaarheid uitmaakt) is anderzijds niet voldoende ernstig om nog een strafvervolging te verantwoorden.
Onder het tweede luik van de definitie van art. 193 Strafwetboek 2024 vallen de gedragingen die onder het Strafwetboek 1867 als verwondingen of het toedienen van schadelijke stoffen zouden worden omschreven.
Zoals reeds werd aangehaald, dekt het begrip “verwonding” uit het Strafwetboek 1867 niet langer de lading, gelet op de uitbreiding ervan in de rechtspraak van het Hof van Cassatie tot interne letsels en ziektes.
Het begrip “lichamelijk letsel” in art. 193 Sw. 2024 betreft zowel inwendige als uitwendige lichamelijke letsels bij een andere persoon, ongeacht de ernst van het letsel. Zelfverminking is niet strafbaar onder deze bepaling.
Het begrip “schade aan de gezondheid” duidt op ziektes, maar ook op andere vormen van schade aan de gezondheid zoals bijvoorbeeld misselijkheid, braken, hoofdpijn, … De aanwezigheid van een (geneeslijke dan wel ongeneeslijk lijkende) ziekte maakt immers een verzwarend bestanddeel uit (artikelen 195 en 196 Sw. 2024). Onder verwijzing naar de bespreking van het begrip “integriteitsaantasting van de tweede graad” (artikel 79, 16° Sw. 2024) moet worden benadrukt dat de hier bedoelde ziektes zowel fysieke als psychische ziektes kunnen zijn.
Dit is mogelijk in het Sw. 2024 door niet langer de begrippen “slagen en verwondingen” te hanteren, die een fysieke component vereisen. Door het nieuwe begrippenkader in het Sw. 2024 wordt vermeden dat, zoals dit in Frankrijk is gebeurd voor de invoering van de nieuwe Code pénal, een steeds verder uitdijende interpretatie van de begrippen “lichamelijk letsel” of “verwonding” zou moeten worden gehanteerd.
De begrippen “lichamelijk letsel” en “schade aan de gezondheid” impliceren dus een integriteitsaantasting (van de eerste, tweede of derde graad). Het gebruik van de term “toebrengen” duidt erop dat de oorzaak van het veroorzaakte lichamelijk letsel of de schade aan de gezondheid extern moet zijn aan het slachtoffer, zoals ook onder de gelding van het Sw. 1867 in de jurisprudentiële definitie van “verwondingen”.
Dit toebrengen kan op eender welke wijze gebeuren. Dit omvat dus elke mogelijke externe oorzaak, die zowel uit een handelen als een niet-handelen kan bestaan en zowel chemisch als mechanisch van aard kan zijn. Hierin verschilt de tweede categorie van gewelddaden met de eerste, die het aanwenden van fysieke kracht of macht vereisen. Beide categorieën overlappen dus in belangrijke mate, maar zeker niet volledig.
Vereist is wel dat het toebrengen opzettelijk gebeurt.
Ten slotte is uiteraard vereist dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde gedraging (handelen of niet-handelen) en het ingetreden gevolg (het lichamelijk letsel of de schade aan de gezondheid).
Voor wat de bestraffing betreft, worden de gewelddaden opgedeeld in categorieën op basis van de ernst van de gevolgen voor de fysieke of psychische integriteit van het slachtoffer. Deze indeling is in zeer belangrijke mate vergelijkbaar met de indeling in het Strafwetboek (cf. art. 398-401 Sw. 1867). In sommige gevallen komt dit neer op een strafverzwaring. Deze kan echter worden verantwoord door het feit dat de toediening van schadelijke stoffen (die onder de gelding van het Sw. 1867 een afzonderlijke strafbaarstelling uitmaakt en zwaarder wordt bestraft dan opzettelijke slagen en verwondingen) geïntegreerd is in het begrip van de gewelddaden en het toegenomen belang dat door de samenleving wordt gehecht aan de bescherming van de fysieke en psychische integriteit tegen geweld.
In zijn advies (nr. 50) bij het wetsontwerp tot invoering van het Sw. 2024 stelde de Raad van State zich vragen omtrent de gevolgen van deze definitie op de zgn. pedagogische tik en de slagen die worden toegebracht in het kader van de sportbeoefening. Hierop werd geantwoord dat de definitie van gewelddaden op dit punt geen enkele wijziging met zich meebrengt in vergelijking met de huidige situatie.
Ook onder de gelding van het Sw. 2024 zijn dergelijke gedragingen principieel strafbaar, maar wordt er in bepaalde gevallen aangenomen dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond, bestaande uit een impliciete toelating door de wet. In de rechtspraak en rechtsleer werden hieromtrent criteria uitgewerkt. Dit maakt het mogelijk dat de norm evolueert in functie van de maatschappelijke evolutie, zoals die momenteel kan worden ontwaard met betrekking tot de pedagogische tik.
zie ook www.elfri.be - Artikel - Definitie van persoon met maatschappelijke of openbare functie in het strafwetboek 2024
zie ook www.elfri.be - Artikel - Doodslag gepleegd op een persoon met een maatschappelijke functie