De gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag blijft het wettelijke uitgangspunt wanneer ouders niet samenleven. Afwijking daarvan kan slechts worden gerechtvaardigd wanneer de gezamenlijke uitoefening strijdig zou zijn met het belang van het kind. In de rechtspraak wordt dan ook bijzonder terughoudend omgesprongen met het toekennen van exclusief ouderlijk gezag: enkel wanneer een ouder aantoonbaar niet in staat is zijn of haar ouderlijke rol op een volwaardige, veilige en stabiele wijze te vervullen, kan een dergelijke ingreep worden verantwoord.
In situaties waarin een ouder kampt of heeft gekampt met medische of psychiatrische problematiek, staat de rechter voor de taak te beoordelen of de actuele toestand van die ouder die afwijking nog langer verantwoordt. Wat in het verleden aanleiding gaf tot bezorgdheid, moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de actuele en objectief vastgestelde situatie. Medische stabilisatie na therapie, positieve evolutie en ondersteunende attesten kunnen dan doorslaggevend zijn om de eerdere beperking van het ouderlijk gezag te herzien.
Een ouder die, ondanks een moeilijke voorgeschiedenis, thans stabiel functioneert, in staat is om het contact met de werkelijkheid te behouden en waarvan geen enkel actueel stuk twijfel doet rijzen over de opvoedingsbekwaamheid, kan niet worden uitgesloten van de volwaardige deelname aan beslissingen over de kinderen. Dat geldt ook wanneer de andere ouder lange tijd een groter aandeel in de zorg heeft gedragen: deze feitelijke situatie kan niet zonder meer worden verabsoluteerd wanneer de omstandigheden zich structureel wijzigen.
Bijkomend geldt dat een verontrustende familiale voorgeschiedenis of ervaringen uit de jeugd van een ouder — zelfs wanneer die betrekking zouden hebben op grensoverschrijdend gedrag — op zichzelf niet volstaat om die ouder als ongeschikt te kwalificeren voor de uitoefening van ouderlijk gezag. Het belang van het kind vergt in beginsel dat beide ouders, waar mogelijk, volwaardig in het leven van hun kinderen aanwezig zijn en samen beslissingen treffen. Enkel objectieve, actuele en ernstig verontrustende elementen kunnen dat principe doorbreken.
Wanneer blijkt dat beide ouders op een correcte, betrokken en zorgzame wijze hun rol opnemen, dat deskundigen en justitieassistenten de gezamenlijke uitoefening ondersteunen en dat er geen afdoende aanwijzingen zijn van blijvende risico’s voor het welzijn van het kind, dan is een terugkeer naar het gezamenlijk ouderlijk gezag aangewezen. In dergelijke omstandigheden ligt ook een gelijkmatig verdeeld verblijf tussen de ouders voor de hand, nu de wetgever uitdrukkelijk vraagt om deze mogelijkheid prioritair te onderzoeken.
Deze benadering sluit aan bij de rechtspraak die een strikte toets hanteert voor de uitzonderlijke toekenning van exclusief ouderlijk gezag en bevestigt dat tijdelijke moeilijkheden, hoe ingrijpend ook, niet noodzakelijk blijvende belemmeringen hoeven te vormen voor een volwaardige ouderlijke rol, zodra herstel en stabilisatie zijn bereikt.