Het misdrijf van online grooming is slechts voltrokken op het ogenblik dat de dader een materiële handeling stelt die gericht is op het realiseren van het voorstel tot ontmoeting.
Het gaat om handelingen die gericht zijn op het realiseren van die ontmoeting en die het vaste voornemen onderstrepen om de ontmoeting te laten plaatsvinden en dat ongeacht de aard van de handelingen in kwestie.
Een loutere vraag of wens tot ontmoeting, geuit via informatie of communicatietechnologie, moet gevolgd worden door een vorm van concretisering of veruitwendiging opdat er sprake zou kunnen zijn van het misdrijf van online grooming. Er moet met andere woorden meer zijn dan louter communicatie over een verder ongedefinieerde wens of mogelijkheid tot ontmoeting. Vage intenties zonder concretiseringen volstaan niet.
De bedoeling om seksuele misdrijven te plegen tijdens (eventuele) fysieke ontmoetingen met e minderjarigen, kan niet zonder meer worden afgeleid uit het feit dat er kinderpornografisch materiaal op verschillende gegevensdragers van de verdachte werd aangetroffen.
Het stellen ongepaste seksueel getinte/ seksueel geconnoteerde vragen en voeren van ongepaste gesprekken met minderjarigen kan wel ernstige morele en ethische bedenkingen opleveren maar is niet relevant bij de beoordeling van de schuld van beklaagde aan grooming, vermits deze morele en ethische bedenkingen losstaan van het al dan niet strafwaardig zijn van dergelijk handelen van de beklaagde.
Het op vraag van een persoon door een minderjarige jonger dan 16 jaar via sociale media naaktfoto’s van zichzelf laten versturen aan deze persoon dient als het misdrijf van aanranding van de eerbaarheid worden beschouwd, net als de loutere vraag daartoe van deze persoon aan deze minderjarige zonder dat er door die laatste vervolgens effectief naakt foto’s van zichzelf aan deze persoon worden verstuurd, vermits het oude artikel 374 van het Strafwetboek 1867 bepaalde dat aanranding bestaat, zodra er een begin van uitvoering is (thans bepaald in artikel 417/7, lid 3 van het Strafwetboek).
Het versturen van naaktfoto’s door een persoon naar een minderjarige jonger dan 16 jaar valt daarentegen niet onder het misdrijf van aanranding van de eerbaarheid.
Het misdrijf van aanranding van de eerbaarheid vereist handelingen met een bepaalde ernst die gesteld worden op of met behulp van een persoon en die afbreuk doen aan de seksuele integriteit van deze persoon zoals door het collectieve bewustzijn van een bepaalde samenleving op een bepaald tijdstip wordt ervaren.
Voor dit misdrijf van aanranding van de eerbaarheid is geen feitelijk lichamelijk contact tussen dader en slachtoffer vereist. Van het misdrijf aanranding van de eerbaarheid kan dus ook sprake zijn zonder aanraking van het lichaam.
Om van het misdrijf van online grooming strafbaar gesteld zijnde middels het oude artikel 377quater van het Strafwetboek 1867, te kunnen spreken, dient dit misdrijf te worden gepleegd ten aanzien van een minderjarige die effectief jonger is dan 16 jaar en niet ten aanzien van een persoon die beweert jonger dan 16 jaar te zijn, maar het in werkelijkheid niet is, zoals de een zogenaamde ‘pedohunter’ die tracht aldus misdrijven vast te stellen en een dader te betrappen.
Het is bovendien een constitutief bestanddeel van het misdrijf online grooming dat het initiatief uitgaat van de dader.
De strafwet dient restrictief te worden geïnterpreteerd. Een virtueel vijftienjarig slachtoffer kan aldus niet beschouwd worden als een minderjarige beneden de volle leeftijd van 16 jaar zoals bedoeld in het oude artikel 377quater van het Strafwetboek 1867.
Let wel:
Art. 151. Sw 2024 Benaderen van een minderjarige voor seksuele doeleinden (in werking 8 april 2026) stelt:
“Benaderen van een minderjarige voor seksuele doeleinden is het aan een minderjarige een voorstel tot ontmoeting doen, op welke manier dan ook, met het oogmerk om een misdrijf te plegen bedoeld in dit hoofdstuk, voor zover dit voorstel is gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting kunnen leiden.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.”
Commentaar:
Het artikel 377quater Sw. 1867 heeft alleen betrekking op het lokken van kinderen d.m.v. informatie- en communicatietechnologie.
In het Sw. 2024 wordt het benaderen van minderjarigen uitgebreid tot een voorstel tot ontmoeting “op welke manier ook”.
De omschrijving van grooming als autonoom misdrijf en als verzwarende omstandigheid is in het Sw. 2024 niet helemaal gelijklopend, zoals dit ook in het Strafwetboek 1867 niet het geval is.
In het Sw. 2024 werd geopteerd voor het behoud van zowel het autonoom misdrijf als van de verzwarende omstandigheid (voorzien in afdeling 1, 2 en 3). Het autonoom misdrijf van grooming is voltooid wanneer het voorstel tot ontmoeting wordt geformuleerd en wordt gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting leiden. Er moet evenwel geen daadwerkelijke ontmoeting zijn geweest. M.b.t. de grooming als verzwarende omstandigheid wordt geen gewag gemaakt van “een voorstel tot ontmoeting”, doch wel van een “benadering” van het slachtoffer door de dader. Onder “benadering” moet worden begrepen het op enigerlei wijze benaderen en voorbereiden van de minderjarige om zijn vertrouwen te winnen teneinde vervolgens te kunnen overgaan tot het plegen van een seksueel misdrijf.
De grooming als verzwarende omstandigheid viseert dus mogelijks meer gedragingen. Het kan wel zijn dat in een concreet geval de gedraging zowel ressorteert onder de grooming als autonoom misdrijf als onder de verzwarende omstandigheid. We hebben dan te maken met een samenloopsituatie.
Om het misdrijf grooming te weerhouden is het niet noodzakelijk dat deze ontmoeting ook daadwerkelijk plaatsvindt.
In het geval van grooming moet het voorstel tot ontmoeting gevolgd zijn door materiële handelingen die tot de ontmoeting kunnen leiden (bijvoorbeeld de aankoop van een treinkaartje om naar de met de minderjarige afgesproken ontmoeting te gaan). Dit is een materieel element van het misdrijf dat moet worden vastgesteld.
In dit geval is het echter voldoende om te bewijzen dat de dader verduidelijkende vragen stelde op het forum waar de inhoud werd gepost, op een manier die duidelijk maakt dat de dader voorbereidingen trof om een seksueel misdrijf tegenover een minderjarige te plegen. De toelichting op p. 80 verwijst naar de antiterrorismewetgeving die door het Grondwettelijk Hof is bekrachtigd. Het doel van de regering is om de vrijheid van meningsuiting te respecteren en het strafbare feit te definiëren in termen die voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn, zodat iedereen kan weten of zijn gedrag een strafbaar feit vormt.