Artikel 15 Grondwet bepaalt: «De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaats hebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.»
Volgens artikel 20, § 3, eerste lid, Vlaamse Wooncode, thans artikel 3.38 Vlaamse Codex Wonen van 2021, hebben de agenten en officieren van gerechtelijke politie en de in het bijzonder daartoe aangewezen ambtenaren, waaronder de wooninspecteur, toegang tot de bouwplaatsen en de gebouwen om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten. Als de verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze volgens het tweede lid van die bepaling alleen worden uitgevoerd op voorwaarde dat de politierechter daartoe een machtiging heeft verstrekt.
Een huiszoeking in de zin van die bepalingen kan op een wettige wijze worden uitgevoerd op verzoek of met toestemming van de bewoner van de plaats bij toepassing van artikel 1, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet. In dat geval is geen machtiging van de politierechter vereist.
Artikel 20bis, § 1, eerste lid, Vlaamse Wooncode, zoals hier van toepassing, thans artikel 3.43 Vlaamse Codex Wonen van 2021, bepaalt: «Naast de straf kan de rechtbank de overtreder bevelen om werken uit te voeren om de woning, het pand dat het gebouw met de aanwezige woonentiteiten omvat, of de specifieke woonvorm als vermeld in artikel 5, § 3, eerste lid, te laten voldoen aan de vereisten en normen, vastgesteld met toepassing van artikel 5. Als de rechtbank vaststelt dat de woning niet in aanmerking komt voor werkzaamheden, of dat het gaat om een goed als vermeld in artikel 20, § 1, tweede lid, beveelt ze de overtreder om er een andere bestemming aan te geven overeenkomstig de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 of om de woning of het goed te slopen, tenzij de sloop ervan verboden is op grond van wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen. Dat gebeurt ambtshalve of op vordering van de wooninspecteur of het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de woning, het pand of het goed ligt.»
De herstelmaatregelen van artikel 20bis Vlaamse Wooncode beogen als een bijzondere vorm van teruggave de gevolgen van de door artikel 20, § 1, Vlaamse Wooncode bedoelde misdrijven teniet te doen en de krachtens artikel 5 Vlaamse Wooncode vastgestelde vereisten en normen te verwezenlijken.
Uit de tekst van de artikelen 5, 20 en 20bis Vlaamse Wooncode, thans de artikelen 3.1, 3.34 en 3.43 Vlaamse Codex Wonen van 2021, hun ontstaansgeschiedenis en de doelstellingen van de decreetgever volgt dat het gevorderde herstel in hoofdorde tot integraal herstel moet strekken, dit wil zeggen tot het wegwerken van alle gebreken aan het onroerend goed teneinde het te laten voldoen aan de vereisten en normen vastgesteld krachtens artikel 5 Vlaamse Wooncode.
Behoudens een vastgesteld integraal herstel, mag de vordering slechts worden afgewezen in het geval van kennelijke onredelijkheid.
Indien dit integraal herstel als principiële herstelmaatregel volgens de rechter niet mogelijk is, dient de rechter de alternatieve maatregel van de herbestemming of de sloop te bevelen.
Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van het Vlaams Gewest van 29 april 2011 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen blijkt dat, wanneer de rechter vaststelt dat de herstelvordering tot herbestemming of sloop dient te worden ingewilligd, de overtreder de keuze heeft om het herstel uit te voeren door naar eigen goeddunken één van beide maatregelen te nemen.
De overtreder die kiest voor herbestemming van het goed en vervolgens een omgevingsvergunning verkrijgt die de woonfunctie toelaat, kan het onroerend goed opnieuw voor bewoning bestemmen, mits hij ook de woongebreken herstelt overeenkomstig de vereisten vermeld in artikel 5 Vlaamse Wooncode.
Het effect van de principiële herstelmaatregel kan aldus worden bereikt wanneer het goed, na de herbestemming ervan, in overeenstemming zal zijn gebracht met de stedenbouwkundige vereisten.
Het bevelen van de subsidiaire herstelmaatregel betekent dan ook niet noodzakelijk dat het in het geding zijnde goed niet meer zal kunnen worden bestemd voor bewoning.
De herbestemming van een onroerend goed waardoor de woonfunctie ongedaan wordt gemaakt, heeft tot gevolg dat het pand niet meer onder de woningkwaliteitsnormen valt en het integraal herstel geen voorwerp heeft.
Wanneer de uitvoering van de bevolen herbestemming van een onroerend goed overeenkomstig de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening evenwel niet tot gevolg heeft dat de woonfunctie ervan ongedaan wordt gemaakt, moet de rechter behalve die alternatieve maatregel ook het integraal herstel bevelen, bestaande in het wegwerken van alle gebreken aan het onroerend goed teneinde het te laten voldoen aan alle veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten zoals bedoeld in artikel 5 Vlaamse Wooncode.
Dit is met name het geval wanneer een eengezinswoning werd opgesplitst in meerdere woongelegenheden zonder dat hiervoor een vergunning werd verleend zoals vereist door artikel 4.2.1, 7°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de strafrechter bij toepassing van artikel 20, § 1, eerste lid, Vlaamse Wooncode de beklaagde veroordeelt wegens het verhuren van die woongelegenheden omdat ze niet voldoen aan de in die bepaling bedoelde vereisten en normen. In dat geval dient rechter behalve de herbestemming of de sloop ook het integraal herstel te bevelen, bestaande in het wegwerken van alle gebreken aan het onroerend goed teneinde het te laten voldoen aan de voormelde normen en vereisten.