Is de schuldvordering verjaard voorafgaand aan het overlijden, dan moet de schuld niet meer worden ingebracht. Is de schuldvordering voorafgaand aan het overlijden niet verjaard, dan moet de schuld worden ingebracht in het kader van de vereffening-verdeling van de nalatenschap en wordt die onverjaarbaar.
De schuld van de erfgenaam wordt door de inbreng onderworpen aan de bewerkingen van de vereffening-verdeling. Ze is tot het ogenblik van de verdeling onttrokken aan elke actie tot betaling vanwege de mede-erfgenamen en de verjaring is gedurende deze bewerkingen opgeschort.
De verjaring speelt derhalve niet ten aanzien van de verplichting tot inbreng van de schuld die slechts ontstaat op het ogenblik van het overlijden van de erflater én duurt tot het ogenblik waarop de ver deling is voltrokken.
Daar waar voor het betalen van een schuld een dwangmiddel bestaat (met name een rechtsvordering) bestaat dit niet voor de inbreng van schulden die een loutere afrekening inhoudt. Daaruit volgt dat de inbreng niet kan verjaren tus- sen het ogenblik waarop de nalatenschap openvalt en het afsluiten van de verdeling. De inbreng dient immers plaats te vinden als een verrichting van de vereffening en verdeling/incident van de verdeling.
De inbreng ervan dient dus te gebeuren als bewerking van de verdeling.
Aldus bepaalt artikel 859, § 1 (oud) BW dat, om de gelijke behandeling van de mede-erfgenamen in de verdeling te verzekeren, de vaststaande schuld die een mede-erfgenaam tegenover de massa heeft, in de te verdelen massa wordt ingebracht. De schuld wordt derhalve niet betaald via de klassieke weg, maar zij wordt ingebracht. Dit houdt in dat de betrokken erfgenaam- debiteur de schuld aan de massa kan betalen maar ook kan opteren voor de techniek van de inbreng door mindere ontvangst.
Een ander gevolg is dat de debiteur ook het eventuele termijnvoordeel dat besloten lag in de titel/ schuldvordering van de decujus verliest: de schuld wordt immers opeisbaar ter gelegenheid van de afsluiting van de vereffening en verdeling. De bedoeling van dit procedé is duidelijk: de gelijkheid vrij- waren van de onderscheiden erfgenamen en vooral ervoor zorgen dat de betrokken erfgenaam-debiteur solvabel is tot beloop van zijn erfdeel. Door het verlies van het termijnvoordeel wordt vermeden dat een erfgenaam-debiteur reeds activa uit de definitieve verdeling van de nalatenschap zou ontvangen waarbij het risico bestaat dat hij dan later ter gelegenheid van de opeisbaarheid van de schuld mogelijk insolvabel zou zijn.
Voor zover de verjaring van de schuld nog niet is ingetreden ten tijde van het overlijden van de decujus lijkt er geen gevaar voor verjaring te bestaan na het overlijden van de decujus-schuldeiser om reden dat de opeisbaarheid van de schuld is uitgesteld tot bij de afhandeling van de vereffening- verdeling.
De regeling hoe schulden van een erfgenaam ten overstaan van de erflater moeten worden ingebracht wordt uitgewerkt in art. 4.94 t.e.m. art. 4.97 (nieuw) BW.
De regels betreffende de wijze van inbreng van schenkingen zijn van toepassing op de inbreng van schulden. De inbreng van de schulden gebeurt derhalve ofwel door mindere ontvangst, ofwel door betaling van het verschuldigde bedrag aan de boedel.
De inbreng door mindere ontvangst kan gebeuren ofwel door vooruitneming, ofwel door aanrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam-schuldenaar.
Bij vooruitneming nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd is, een gelijk bedrag vooraf uit de boedel van de nalatenschap (art. 4.95, tweede lid BW), waarna per staak gelijke kavels worden gevormd.
Bij aanrekening op het aandeel wordt het kavel van de mede-erfgenaam-schuldenaar dan verminderd met zijn schuld aan de nalatenschap. De schuld dooft dan uit door schuldvermenging (art. 4.95, derde lid, eerste zin BW). De mede-erfgenaam-schuldenaar zal dan een kleiner aandeel in de massa van de nalatenschap krijgen.
Niets belet dat de erfgenaam-schuldenaar het verschuldigde bedrag aan de boedel betaalt (art. 4.95, eerste lid BW), maar de mede-erfgenamen kunnen dat niet eisen Artikel 4.96, eerste zin van het Burgerlijk Wetboek bepaalt immers uitdrukkelijk dat de schuld pas opeisbaar is vanaf het sluiten van de verdelingsverrichtingen.
Als het door de erfgenaam-schuldenaar in te brengen bedrag diens aandeel overtreft, blijft deze mede-erfgenaam het saldo verschuldigd met toepassing van de voorwaarden en de termijnen die voor de oorspronkelijke schuld golden (art. 4.95, derde lid, tweede zin BW) en wordt dit saldo dan principieel opgedeeld in verschillende individuele schuldvorderingen ten voordele van de mede-erfgenamen. Stel dat deze mede-erfgenaam overige schuldeisers heeft, dan komen de mede-erfgenamen in samenloop komen met deze overige persoonlijke schuldeisers van de erfgenaam-schuldenaar.
Na het overlijden van de erflater is er op een schuld van een erfgenaam steeds interest verschuldigd aan de wettelijke rente na en vanaf het overlijden. De erflater kan de schuldenaar-erfgenaam hiervan niet ontslaan.