Krachtens art. 1993 BW is iedere lasthebber gehouden rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht en aan de lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht heeft ontvangen, ook al was het door hem ontvangene aan de lastgever niet verschuldigd.
De rekening en verantwoording door de lasthebber is aan geen bijzondere vormvoorwaarden onderworpen en kan ook mondeling gebeuren.
Gelet op de artt. 1315 e.v. BW, inzonderheid de artt. 1341 en 1348 BW, lijdt het in de regel vereiste schriftelijke bewijs van de rekening en verantwoording en de kwijting uitzondering wanneer de lasthebber zich in de morele onmogelijkheid bevindt om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen. Dit kan het geval zijn wanneer de lasthebber een bijzondere vertrouwensrelatie met de lastgever heeft waarbij onmiddellijke controle mogelijk is.
De appelrechters die, mede gelet op de bijzondere vertrouwensrelatie tussen de partijen en de mogelijke controle van de rekeningen door de eiser, de verweerder en zijn broer, hun beslissing aangaande de in art. 1993 BW bedoelde verplichting tot rekening en verantwoording van de verweerder als titularis-rekeninghouder dan wel volmachthouder op bepaalde bankrekeningen ongegrond verklaren zonder verder schriftelijk bewijs te vergen, verantwoorden hun beslissing naar recht.
Let wel:
Luidens artikel 1993 oud BW is iedere lasthebber gehouden rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht en aan de lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht heeft ontvangen. De erfgenaam/rechtverkrijgende van de lastgever, in casu S.D., kan uitvoering van deze plicht vorderen.
Deze plicht om rekenschap af te leggen behelst naast een informatieplicht (waar nodig) ook een teruggaveplicht van de in het raam van de opdracht ontvangen fondsen.
Met toepassing van artikel 1315, tweede lid oud BW draagt de lasthebber de bewijslast van de beweerde uitvoering of het tenietgaan van deze verbintenis.
Het verlenen van rekenschap is niet aan vormvereisten onderworpen, dit kan zowel schriftelijk als mondeling gebeuren. De lasthebber dient evenwel aan zijn bewijslast te voldoen volgens de strikte bewijsregeling van het BW.
Krachtens het BW dient de lasthebber tot bewijs van de nakoming van diens informatie- en teruggaveplicht voor de bedragen boven het grensbedrag (voorheen 375,00 euro en thans 3.500 euro) in principe een schriftelijk bewijs voor te leggen.
In uitzonderlijke gevallen kan er sprake zijn van een morele onmogelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen.
Dergelijke morele onmogelijkheid mag slechts worden aanvaard met omzichtigheid en om ernstige redenen.
Anders wordt het bewijsrecht volledig van zijn draagwijdte ontdaan.
De (loutere) (zeer) nauwe familieband tussen een ouder en een kind als dusdanig volstaat niet om te besluiten tot de bedoelde morele onmogelijkheid. Er dienen bijkomende, specifieke omstandigheden te zijn waardoor een lasthebber van het vereiste bewijs door geschrift is ontslagen.