Een onrechtstreekse schenking zoals een bankgift is helemaal onmogelijk wanneer de opdrachtgever van de overschrijving die als lasthebber optreedt voor de schenker ook nog eens de begunstigde is.
Dit is een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat «degene die voor rekening van een ander rechtshandelingen moet stellen, daarbij niet mag optreden als tegenpartij van die andere».
In geval van miskenning van het algemeen rechtsbeginsel, komt het enkel aan de lastgever toe om de sanctie in te roepen.
Bancaire overschrijvingen behelzen mogelijk onrechtstreekse schenkingen, waarbij (i.h.b.) het (notariële) vormvereiste van art. 931 BW niet speelt.
Bij gebrek aan daadwerkelijke traditio, gaat het niet om een handgift. Het voorwerp van de overdracht is in dit geval immers een schuldvordering en geen lichamelijk roerend goed.
De grondvereisten van de schenking moeten dan wel zijn vervuld en meer precies (1) de verarming van de schenker; (2) de verrijking van begiftigden en (3) de animus donandi aan de zijde van de schenker. Pijnpunt is evenwel dat een onrechtstreekse schenking klassiek via een vormelijk neutrale rechtshandeling moet gebeuren, zodat de akte eigenlijk niet zou mogen aangeven wat haar oorzaak is.
De vraag is of de enkele vermelding «bankgift buiten deel» bij de overschrijvingen meteen de (civielrechtelijke) nietigheid van de rechtshandeling meebrengt. Een onrechtstreekse schenking is in essentie een schenking die, buiten alle veinzing om, in de vorm van een andere rechtshandeling gebeurt, zo bv. een overschrijving van bankrekening naar bankrekening.
Anders dan bij de vermomde gift, is er geen veinzing. Mede in die optiek komt het bijzonder kunstmatig over om de enkele vermelding van «gift» te penaliseren met de (civielrechtelijke) nietigheidssanctie .
Onrechtstreekse schenkingen zijn schenkingen die zich aan de vormvereisten van de schenkingen niet storen.
Voorwaarden geldigheid bankgift:
(1) de schenker moet zich verarmen, door geld van zijn bankrekening op de bankrekening van de begiftigde te laten overschrijven,
(2) de schenker moet zich verarmen met de bedoeling om te schenken, dit kan dor door op de bankoverschrijving te vermelden «aanbod tot schenking» of «met intentie om te begunstigen» en
(3) de begiftigde moet de schenking aanvaarden, wat hij wordt geacht te doen als hij het geld op zijn bankrekening krijgt met de vermelding «aanbod tot schenking» en derhalve wetend wat de intentie van de schenker is.
Niettegenstaande de vermelding “gift” of “schenking” als mededeling op de overschrijving door de schenker niet verstandig is, aanvaardt de rechtspraak dat de enkele vermelding «gift» bij de overschrijving als zodanig niet de (civielrechtelijke) nietigheid van de rechtshandeling meebrengt.
De grondvereisten van de schenking zijn daarom niet aangetast, terwijl een al te stringente (nodeloze) vulling van vormvereisten niet doorslaggevend kan zijn. Onverkort stellen dat noch expliciet noch impliciet uit de akte mag blijken dat animo donandi is gehandeld, is niet meer van deze tijd, omdat te streng/nodeloos formalisme onder vuur ligt.
Rechtspraak erkent zelfs dat een mededeling door de schenker op de overschrijving “bankgift buiten deel de geldigheid van de onrechtstreekse schenking niet zou aantasten, al dient toch benadrukt dat dit risico inhoudt.
Essentieel is in elk geval het bewijs van de animus donandi (de wil tot schenking). Dit kan problematisch zijn wanneer de bankgift werd uitgevoerd door lasthebber (volmachtdrager).
De bankgiften dient ook nog tijdens het leven van de schenker zijn aanvaard.
zie ook www.elfri.be - Artikel - Stappenplan bankgift