Artikel 42, eerste lid, Wegverkeerwet bepaalt: «Verval van het recht tot sturen moet uitgesproken worden wanneer, naar aanleiding van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig.»
Dit verval is een beveiligingsmaatregel die naast de uitgesproken straf moet worden uitgesproken.
Bijlage 6 aan het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs bepaalt de minimumnormen en attesten inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig.
Deze bijlage beschrijft de functionele stoornissen en aandoeningen die de uitsluiting tot gevolg hebben en de geneeskundige normen waaraan de kandidaat voor een rijbewijs of een voorlopig rijbewijs en de houder van een rijbewijs, moeten voldoen.
Uit deze wetsbepalingen volgt niet dat de rechter enkel kan besluiten tot lichamelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig wanneer een persoon niet voldoet aan de minimumnormen bedoeld in voormelde bijlage 6.
Een bestuurder kan misschien voldoen aan de bijlage 6 bij het KB van 23 maart 1998, doch de beoordeling van de rijgeschiktheid gaat verder dan dat.
De rechter verantwoordt naar recht de beslissing dat een persoon niet voldoet aan de lichamelijke en geestelijke normen van geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig wanneer uit een deskundig medisch verslag blijkt.op grond van volgende overwegingen:
– zwaar alcoholmisbruik per dag gedurende 2 jaar veroorzaakt blijvende restschade;
– de rechtbank kan niet het risico nemen dat een persoon van wie op heden niet vaststaat dat de problemen onder controle zijn, toegelaten wordt tot het gemotoriseerde verkeer;
– het staat vast dat de persoon niet over de nodige geestelijke capaciteiten beschikt om zich in het gemotoriseerde verkeer te kunnen begeven;
– gelet op deze elementen in hun onderlinge samenhang beschouwd, kan de rechtbank er niet om heen dat de houding van de persoon in het verleden getuigt van een volgehouden geestelijke en lichamelijke ongeschiktheid om een motorvoertuig te besturen; hij kreeg al herhaaldelijk de kans om zijn gedrag bij te sturen, maar wil dat blijkbaar helemaal niet doen.