De matigende werking van de goede trouw legt geen bijkomende verplichtingen (anders dan de aanvullende werking van de goede trouw) op maar verschaft de rechter een matigingsbevoegdheid bij abusieve uitoefening van de contractuele rechten op een wijze die een schending van de goede trouw zou uitmaken. Door de matigende werking van de goede trouw kan de rechter de abusieve uitoefening van de contractuele rechten herleid worden tot een normale uitoefening ervan.
De verplichting tot uitvoering te goeder trouw kan ook aangewend teneinde de verplichtingen van partijen te temperen wanneer geen der partijen schuld treft aan het onheil die de uitvoering der overeenkomst belemmert
Het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van de overeenkomsten kan worden ingeroepen wanneer geen van de partijen enige schuld treft aan het onheil en de gevolgen ervan onmogelijk door hen konden zijn verdisconteerd. Op basis van de uitvoering te goeder trouw kan dan gesteld dat de de risico’s gelijkelijk moeten worden verdeeld.
Artikel 1134, derde lid oud BW bepaalt dat overeenkomsten te goeder trouw ten uitvoer gebracht moeten worden
Aan deze objectieve goede trouw komt niet alleen een interpretatieve en aanvullende functie toe, maar ook een matigende of beperkende functie.
Die matigende of beperkende werking speelt alleen als aan de voorwaarden van rechtsmisbruik is voldaan.
Om te beoordelen of de objectieve goede trouw een matiging verlangt van de uitoefening van een contractueel recht moet immers dezelfde test toegepast worden als die om te bepalen of er sprake is van rechtsmisbruik (vgl. 1. Claeys en T. Tanghe, Algemeen contractenrecht - Handboek voor nu en straks, lntersentia 2021,326).
Toepassing: gelijke verdeling van de financiële schade tussen huurde ren verhuurder naar aanleiding van de schade door de corona-pandemie (halvering van de huur). Zie E. DIRIX, “Het recht is niet op zulke ontwrichtende crises berekend”, Juristenkrant 2020, nr. 407, p. 4-5., Zie E. DIRIX, Crisis in het privaatrecht, NjW 2021, 6.
Aldus kan verdedigd worden dat als richtsnoer wordt gehanteerd dat de huurprijs voor handelszaken die door een verplichte sluiting worden getroffen, in beginsel, wordt gehalveerd. Dit verdeelt de schade over de partijen, zorgt voor een uniforme benadering van soortgelijke zaken en legt schade niet volledig bij de belastingbetaler of derden die door insolventie van de ene of de andere worden meegesleurd in een verhaal waarin ze niet rechtstreeks betrokken zijn.
De eerste rechtspraak toont aan dat de vredegerechten nog geen vaste rechtspraak hebben ontwikkeld. De ene maal wordt geoordeeld dat de huurder wel en de ander maal niet verder (volledig) gehouden blijft tot de betaling van de huur ondanks de lockdown. Hierbij kan wel vastgesteld worden dat rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht van de ene of van de andere partij (M. HIGNY en H. VYNCKE, Juridische panoplie bij pandemie? Eerste rechtspraak m.b.t. COVID-19 becommentarieerd/Panoplie juridique face à une pandémie, Brugge, 2020).
De goede trouw legt aan de contractpartijen de verplichting op tot loyale samenwerking waarbij zij rekening moeten houden met elkaars redelijke verwachtingen. De goede trouw vergt een samenwerking die strekt tot het gemeenschappelijk belang R. DEMOGUE, Traité des obligations, VI, 1932, p. 9, nr. 3.35 en dit zeker in tijden van moeilijkheden of crisis.
Hoewel de verhuurder dus een contractueel recht op integrale betaling van de huurprijs heeft, mag hij dat recht niet uitoefenen op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon. Dat is onder meer het geval wanneer de veroorzaakte schade buiten verhouding staat tot het voordeel dat de houder van dat recht nastreeft of heeft verkregen.
Bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak, en met name ook met de houding van degene die andermans recht heeft aangetast, ter zake de handelshuurder (vgl. J del Corral, 'De betalingsverbintenis van de handelshuurder tijdens de verplichte winkelsluiting: billijkheid primeert', RW 2021-22, 1328 met verwijzing naar rechtsleer en rechtspraak - noot onder Rb. Antwerpen (Antwerpen) 15 november 2021, RW2021-22, 1319).
Zie ook:
www.elfri.be - Artikel - Grondbeginselen van de overeenkomst in het (nieuw) BW