Overeenkomstig artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld.
Uit deze regel en uit het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging vloeit voort dat aan de procespartijen de mogelijkheid wordt geboden om tegenspraak te voeren omtrent elk stuk of elk betoog dat van aard is het oordeel van de rechter te beïnvloeden.
Indien een procespartij tegelijk met haar laatste conclusie stukken meedeelt, nadat de laatste conclusietermijn van de wederpartij is verstreken, wordt aan de wederpartij om die enkele reden niet de mogelijkheid ontnomen om tegenspraak te voeren omtrent die stukken. Die partij mag immers, krachtens artikel 748, § 2, Gerechtelijk Wetboek, ten laatste dertig dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat, een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt.
Krachtens artikel 740 Gerechtelijk Wetboek worden alle memories, nota’s of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies of, bij toepassing van artikel 735, vóór de sluiting van het debat zijn overgelegd, ambtshalve uit het debat geweerd.
Uit deze bepaling volgt dat stukken die een procespartij ten laatste samen met haar tijdig genomen laatste conclusie overlegt, in beginsel in het debat blijven, ook al heeft de wederpartij geen conclusietermijn meer om te antwoorden.
Hoewel de rechter, op verzoek van een partij, stukken uit het debat kan weren wanneer de overlegging ervan deloyaal procesgedrag uitmaakt dat het recht van verdediging van de wederpartij aantast, maakt de mededeling van stukken met de tijdig genomen laatste conclusie, terwijl de wederpartij geen conclusietermijn meer heeft om hierover tegenspraak te voeren, niet noodzakelijk deloyaal procesgedrag uit.