Naast de algemene bepalingen in het strafwetboek inzake de bedrieglijke organisatie van het onvermogen werd samen met boek XX van het WER in het strafrecht een reeks strafbepalingen ingevoegd inzake de insolventie van ondernemingen en de miskenning van de regels ingeschreven in
boek XX WER, met name de regels inzake de insolventie van ondernemingen.
Art. 489 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) Staat van faillissement stelt:
“De strafvordering wegens bankbreuk wordt gevoerd los van enige vordering die bij de ondernemingsrechtbank mocht zijn ingesteld. De staat van faillissement kan evenwel niet worden betwist voor de strafrechter indien deze is vastgesteld bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing van de ondernemingsrechtbank of van het hof van beroep aan het einde van een procedure waarbij de beklaagde partij was, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger van de gefailleerde onderneming.”
Commentaar:
Misdrijven die verband houden met de insolventie van ondernemingen
De misdrijven die verband houden met de staat van faillissement en/of insolventie zijn van technische aard en worden gekenmerkt door de hantering van begrippen die ontleend zijn aan het handelsrecht. De hoedanigheid van handelaar of van bestuurder, in rechte of in feite, van een handelsvennootschap evenals de staat van faillissement, die bestanddelen zijn van het merendeel van deze misdrijven, zijn immers begrippen afkomstig uit het handelsrecht.
De vraag rees dan ook bij de wetgever van het Strafwetboek 2024 of het wel opportuun was om die misdrijven te handhaven in Boek II van het Strafwetboek of om ze veeleer in te voegen in het Wetboek van economisch recht.
Aangezien kort voor de invoering van het Sw. 2024 er op grond van de wet van 11 augustus 2017 nog wijzigingen werden aangebracht in de artikelen 489 tot 490 van het Strafwetboek 1867 en zijn tevens de strafbaarstellingen, bedoeld in de artikelen 72 en 73 van de wet 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, ingevoegd in Boek II van het Strafwetboek (nieuwe artikelen 490ter en 490quater Sw. 1867). Werd er toch geopteerd voor de handhaving van die bepalingen in Boek II van het Strafwetboek 2024.
Het art. 489 Sw. 2024 herneemt artikel 489quater van het Strafwetboek 1867. Zij doelt op de afstemming van de vorderingen van de rechtbanken van koophandel en de strafrechtbanken met betrekking tot de staat van faillissement.
Art. 490 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) Eenvoudige bankbreuk stelt:
“Eenvoudige bankbreuk is het door een onderneming bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht of door een bestuurder in rechte of in feite van een vennootschap of van een rechtspersoon in staat van faillissement:
1° opzettelijk, ten behoeve van derden en zonder voldoende tegenprestatie, aangaan van al te aanzienlijke verbintenissen gelet op de financiële toestand van de onderneming;
2° opzettelijk, zonder wettelijk verhinderd te zijn, verzuimen de verplichtingen vastgelegd bij artikel XX.146 van het Wetboek van economisch recht na te leven;
3° doen van aankopen tot wederverkoop beneden de koers of toestemmen in leningen, effectencirculaties en andere al te kostelijke middelen om zich geld te verschaffen, met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen;
4° opzettelijk verhullen van uitgaven of verliezen of geen verantwoording afleggen over het bestaan of over de aanwending van de activa of een deel ervan, zoals zij uit de boekhoudkundige stukken blijken op de datum van staking van betaling, en van alle goederen van welke aard ook, die zij naderhand zouden hebben verkregen;
5° betalen of bevoordelen van een schuldeiser ten nadele van de boedel met het oogmerk de faillietverklaring uit te stellen;
6° verzuimen om binnen de termijn gesteld bij artikel XX.102 van het Wetboek van economisch recht aangifte te doen van het faillissement, met het oogmerk de faillietverklaring uit te stellen;
7° opzettelijk verzuimen om, naar aanleiding van de aangifte van het faillissement, de inlichtingen vereist bij artikel XX.103 van hetzelfde Wetboek, te verstrekken;
8° opzettelijk verstrekken van onjuiste inlichtingen naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand in antwoord op de vragen van de rechter-commissaris of van de curators.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1.
De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.”
Commentaar:
Art. 490 Sw. 2024 groepeert de strafbaarstellingen bedoeld in de artikelen 489 en 489bis van het Strafwetboek 1867. Art. 490 Sw. 2024 herneemt de term “bankbreuk”, aangezien de overwogen schrapping en de vervanging ervan door de uitdrukking “misdrijf dat verband houdt met de staat van faillissement” onderhevig waren aan kritiek vanuit de rechtsleer. Ofschoon enig begrip kan opgebracht worden voor de zakenman die af te rekenen krijgt met moeilijkheden binnen zijn onderneming en die wordt gedreven door de wil om haar te redden, oordeelde de wetgever van het Strafwetboek 2024 een depenalisering van die gedragingen toch niet gerechtvaardigd.
Met de notie “bestuurder” worden alle bestuurders in feite of in rechte begrepen aan wie de feiten kunnen worden toegerekend.
Gelet op het feit dat de eenvoudige bankbreuk vaak wordt gepleegd vanuit een achtenswaardige drijfveer of een hopeloze situatie, moet dit misdrijf slechts bestraft worden met een straf van niveau 1 (wat overeenkomt met de huidige strafmaat na conversie).
De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is dus niet strafbaar.
Art. 491 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) Bedrieglijke bankbreuk stelt:
“Bedrieglijke bankbreuk is door een onderneming bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht of door een bestuurder, in rechte of in feite, van een vennootschap of van een rechtspersoon in staat van faillissement, het, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden:
1° verduisteren of verbergen van een gedeelte van de activa;
2° geheel of gedeeltelijk doen verdwijnen van de boeken of bescheiden, bedoeld in hoofdstuk 2 van titel 3 van boek III van het Wetboek van economisch recht.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.”
Commentaar:
Art. 491 Sw. 2024 herneemt de strafbaarstelling bedoeld in artikel 489ter van het Strafwetboek 1867.
Vergeleken met het concept van misbruik van goederen van een privaatrechtelijke rechtspersoon, vereist verduistering van activa niet de voorwaarde van aanzienlijke schade. Het begrip verduistering van activa is ruimer dan de andere twee begrippen. Wat logisch lijkt gezien de situatie van staking van betaling” (vrije vertaling).
Aangezien de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen is opgeheven, maar de bepalingen ervan wel zijn opgenomen in het Wetboek van economisch recht in hoofdstuk II van Boek III (getiteld “Boekhouding van de ondernemingen” – art. III.82 ev.), werd de verwijzing naar het WER opgenomen in de bepaling.
Naar analogie met de verduistering en het misbruik van vennootschapsgoederen wordt bedrieglijke bankbreuk bestraft met een straf van niveau 3.
Overeenkomstig artikel 48 van het nieuwe Boek I en onder de voorwaarden bedoeld in dat artikel, kan het beroepsverbod worden uitgesproken voor de misdrijven van bankbreuk.
Art. 492 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) Bedrieglijke aantasting van de activa of passiva van een gefailleerde persoon stelt:
“Bedrieglijke aantasting van de activa of passiva van een gefailleerde persoon is het met bedrieglijk opzet door een derde:
1° geheel of ten dele wegnemen, verbergen of helen van de activa in het belang van de gefailleerde onderneming, zelfs zonder de medewerking van deze onderneming of van de bestuurders, in rechte of in feite, van die vennootschap of rechtspersoon;
2° indienen of bevestigen, in eigen naam of door tussenpersonen, van verhulde of overdreven schuldvorderingen bij het faillissement.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.”
Commentaar:
Art. 492 Sw. 2024 herneemt de strafbaarstelling bedoeld in artikel 489quinquies uit het Strafwetboek 1867.
Naar analogie met de bedrieglijke bankbreuk wordt de bedrieglijke aantasting van de activa of passiva van een gefailleerde persoon bestraft met een straf van niveau 2.
De poging tot het plegen van het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.
Art. 493 Sw. 22024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) Ontrouw in het beheer van het faillissement stelt:
“Ontrouw in het beheer van het faillissement is het, met bedrieglijk opzet, aantasten van de belangen die door het instituut van het faillissement moeten worden beschermd door een curator in het kader van de uitoefening van deze functie.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.
De curator wordt daarenboven veroordeeld tot teruggave en schadeloosstelling die aan de boedel zijn verschuldigd.”
Commentaar:
Art. 493 Sw. 2024 herneemt het strafbare feit bedoeld in artikel 489sexies uit het Strafwetboek 1867 .
Evenwel werd de formulering van de strafbaarstelling herzien gelet op het feit dat de notie “ontrouw” in het Sw. 1867 niet is gedefinieerd. Volgens de rechtsleer impliceert de ontrouw het met bedrieglijk opzet aantasten van de belangen van de massa en behelst alle gedragingen waarbij de curator in zijn eigen voordeel heeft beschikt over het geheel of een deel van de massa.
Het Hof van Cassatie oordeelde dat “de door de wet niet nader omschreven ontrouw samenvalt, zoals in de omgangstaal, met de fout die uit eigenbelang of hebzucht wordt begaan in de uitoefening van een ambt, betrekking of taak; dat de wetgever, door ontrouw van de curator in het beheer van de failliete boedel als een misdrijf aan te merken, de curator heeft willen straffen die, door daden welke aan bovenstaande omschrijving beantwoorden, gehandeld heeft in strijd met de belangen die het instituut van het faillissement tot doel heeft te beschermen, zoals onder meer de belangen van de schuldeisers”.
Aangezien de notie “ontrouw” niet enkel de verduistering omvat, maar ook alle andere vormen van frauduleuze handelingen begaan door de curator ten nadele van de belangen van die door het instituut van het faillissement worden beschermd, maakt deze strafbaarstelling geen dubbel gebruik uit met het misdrijf verduistering door een persoon met een openbare functie.
Aldus kan ontrouw in het beheer van het faillissement worden gedefinieerd als het, met bedrieglijk opzet, aantasten van de belangen die door het instituut van het faillissement moeten worden beschermd door een curator in het kader van de uitoefening van deze functie. Het misdrijf vereist een bijzonder opzet, nl. het bedrieglijk opzet.
Wegens het publieke vertrouwen resulterend uit het gerechtelijk mandaat dat is toevertrouwd aan de curator alsook wegens de aanzienlijke verantwoordelijkheid die daaruit voortvloeit, wordt ontrouw in het beheer van de curatele bestraft met een straf van niveau 3.
Art. 494 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) Schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een schuldenaar stelt:
“Schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een schuldenaar is het door een schuldenaar, met het oogmerk de procedure van gerechtelijke reorganisatie te verkrijgen of te vergemakkelijken:
1° verbergen van een gedeelte van zijn activa of passiva, de activa overdrijven of de passiva minimaliseren, op welke manier ook;
2° doen of laten optreden bij de beraadslagingen van een of meer vermeende schuldeisers of schuldeisers waarvan de schuldvorderingen overdreven zijn;
3° weglaten van een of meer schuldeisers uit de lijst van schuldeisers;
4° doen of laten doen van onjuiste of onvolledige verklaringen aan de rechtbank of aan een gerechtsmandataris over de staat van zijn zaken of de vooruitzichten van reorganisatie.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.”
Commentaar:
Deze bepaling herneemt het strafbare feit bedoeld in artikel 489sexies uit het Strafwetboek 1867.
Deze bepaling stemt overeen met de strafbaarstelling bedoeld in artikel 490ter van het Strafwetboek 1867, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, die op zijn beurt louter de inhoud van artikel 72 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen heeft overgenomen.
Hier moet het moreel bestanddeel worden verduidelijkt: aangezien die gedragingen opzettelijk aangenomen zijn met het oog op beïnvloeding van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, wordt het bedrieglijk opzet om de procedure van gerechtelijke reorganisatie te verkrijgen of te vergemakkelijken in aanmerking genomen als moreel bestanddeel.
De bedrieglijke schending van procedure van gerechtelijke reorganisatie door een schuldenaar wordt bestraft met een straf van niveau 2.
Aangezien de strafbaarstelling voornamelijk beoogt dat de spelregels van de gerechtelijke reorganisatie worden nageleefd, is de poging niet strafbaar.
Art. 495 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) Bedrieglijke schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door derden stelt:
“Bedrieglijke schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door derden is het met bedrieglijk opzet:
1° deelnemen aan de stemming bedoeld in artikel XX.78 of XX.83/14 van het Wetboek van economisch recht, zonder schuldeiser te zijn;
2° als schuldeiser zijn schuldvorderingen overdrijven;
3° hetzij met de schuldenaar, hetzij met enige andere persoon, bijzondere voordelen bedingen om de stemming over het reorganisatieplan in een bepaalde richting te sturen, of een bijzondere overeenkomst sluiten waaruit voor hen een voordeel zou voortvloeien ten laste van de activa van de schuldenaar.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.”
Commentaar:
Ook hier wordt de strafbaarstelling, bedoeld in artikel 490quater van het Strafwetboek 1867 zoals ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 hernomen (herneming van artikel 73 van de wet 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen).
Hier wordt het bedrieglijk opzet als moreel bestanddeel in aanmerking genomen.
Ook hier, naar analogie met de bedrieglijke aantasting van de activa of passiva van een gefailleerde persoon, wordt de bedrieglijke schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie vanwege een derde bestraft met een straf van niveau 2. Ook hier is de poging niet strafbaar.
Art. 496 Sw. 2024 (Inwerkingtreding 8 april 2026) (Inwerkingtreding 8 april 2026) Bedrieglijk bewerkstelligen van onvermogen stelt:
“§ 1. Het bedrieglijk bewerkstelligen van onvermogen is het met bedrieglijk opzet bewerkstelligen van zijn onvermogen en het niet voldoen aan de op hem rustende verbintenissen.
Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.
§ 2. Dat de schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkstelligt, kan worden afgeleid uit elke omstandigheid waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken.
§ 3. Poging tot het in dit artikel bedoelde misdrijf is niet strafbaar.”
Commentaar:
Overige vormen van bedrog
De strafbaarstellingen voor de vernietiging of het verduisteren van in beslag genomen voorwerpen en het niet-naleven van de rechterlijke beslissingen (art. 507 en 507bis Strafwetboek 1867) worden onder de gelding van het Sw. 2024 behandeld in het hoofdstuk gewijd aan de misdrijven tegen de rechtsbedeling.
Er wordt in het Strafwetboek 2024 verzaakt aan de strafbaarstellingen vermeld in artikel 509 en 509ter Sw. 1867, die in de praktijk reeds niet meer van toepassing waren.
De inbreuk van directe deskundigenbetaling werd gedepenaliseerd aangezien dit gedrag op passende wijze niet-strafrechtelijk bestraft kan worden met name door het schrappen van de deskundige uit het nationaal register voor gerechtsdeskundigen.
Voor het organiseren van bedrieglijk onvermogen is het nodig dat twee materiële bestanddelen samen optreden, nl. het niet uitvoeren van de verplichtingen en het organiseren van onvermogen, en een bijzonder moreel bestanddeel, het bedrieglijk opzet.
Deze strafbaarstelling wordt in het Sw. 2024 opgenomen in de onderafdeling gewijd aan de overige vormen van bedrog aangezien ze niet tot de materie van de faillissementen behoort.
Art. 496 Sw. 2024 herneemt in wezen het artikel 490bis van het Strafwetboek 1876.
Het organiseren van bedrieglijk onvermogen wordt bestraft met een straf van niveau 2. In het geval van herhaling zal een straf van niveau 3 kunnen worden opgelegd
Aangezien de doelstelling van de strafbaarstelling is om erover te waken dat de dader zijn verplichtingen niet ontduikt, moet de poging tot het organiseren van bedrieglijk onvermogen niet strafbaar zijn, wat voorzien wordt in paragraaf 3 van de bepaling.
Art. 497 Sw. 1876 (Inwerkingtreding 8 april 2026)
Strafuitsluitende verschoningsgrond stelt:
“De derde die deelneemt aan het bedrieglijk bewerkstelligen van onvermogen wordt niet gestraft indien hij de hem overhandigde goederen teruggeeft.”
Commentaar:
Dit artikel neemt in de vorm van een strafuitsluitende verschoningsgrond de oorzaak van verval van strafvordering over voortvloeiend uit het “actieve berouw” van de derde deelnemer die de hem overhandigde goederen teruggeeft.”