In conclusies dan wel in formele juridische briefwisseling zijn vaak klassieke aanhef of slotformules te vinden zoals:
“onder voorbehoud van alle recht”
“onder voorbehoud van alle rechten”
“onder voorbehoud van alle recht en middel” (dus er wordt ook voorbehoud gemaakt om in de loop van het geding of discussie nog andere middelen ten ondersteuning van de eisen of ter weerlegging van de eis in te roepen (hetgeen men in de regel steeds kan).
“zonder enige (nadelige) erkentenis”
`without prejudice`
“sans préjudice”
Vaak zijn ze niet meer dan een loutere stijlformule die niet veel meer om het lijf heeft dan “sans gêne”, "sans souci", "sans toit ni loi" ...
Wie een verklaring begint met te stellen dat hij niets wil bekennen of erkennen zegt dat zijn verklaring geen verklaring is en ridiculiseert eigenlijk zichzelf. De facto lijkt één en ander een impliciete lafheid.
De mededeling niet te willen bekennen, of erkennen gevolgd door een bekentenis of erkentenis, lijkt een geldige bekentenis of erkentenis.
De klassieke stijlformules zijn dus in een eerste analyse niets anders dan zinloze last die de schrijver bij de lezer enkel kunnen irriteren en een gemis aan ernst opwekken.
Toch kunnen deze clausules een zekere reserve inhouden en de schrijver een gevoel van (vermeende) veiligheid bieden tegen gerechtelijke of buitengerechtelijke bekentenissen, erkenningen of afstand van recht. Beter en veiliger is het om stellingen en standpunten met de nodige voorzichtigheid, gedoseerd en overwogen te poneren.
Wanneer zwijgen gevaarlijk wordt en woorden zich tegen je keren
Wat betekent het écht om iets te erkennen of te bekennen in een procedure? Wanneer wordt een onschuldige formulering een bindend bewijsmiddel? En hoe ver reikt het mandaat van de advocaat wanneer woorden in conclusies of pleidooien plots als bekentenis worden gelezen?
In het vervolg van bijdrage op fileren we hardnekkige stijlformules, ongewilde bekentenissen, het misbruik van “niet betwist”, en de vaak onderschatte risico’s van taalgebruik in en buiten conclusies. Ze toont hoe rechters omgaan met stilzwijgen, hoe verklaringen worden geïnterpreteerd los van de bedoelde gevolgen, en waarom zorgvuldige frasering geen luxe maar noodzaak is.
Een scherpe analyse over bewijs, retoriek en processtrategie, met bijzondere aandacht voor de delicate vraag: kan een advocaat zijn cliënt binden door een bekentenis zonder bijzonder mandaat?
Voor wie procedeert, pleit of beslist – dit is geen academische oefening, maar dagelijkse realiteit.