In principe verzet het beginsel van vrijheid van ondernemen zich niet tegen overeenkomsten die deze vrijheid beperken.
De contractvrijheid van de partijen inzake niet-concurrentiebedingen eindigt daar waar het beginsel van de vrijheid van ondernemen in het gedrang komt.
Op basis van art. 1134, lid 1 BW strekt een geldig niet-concurrentiebeding de partijen tot wet.
Er dienen evenwel twee geldigheidsvoorwaarden, een positieve en een negatieve, te worden gerespecteerd om een geldig niet-concurrentiebeding te verkrijgen en te handhaven. Deze voorwaarden dienen te allen tijde in concreto te worden beoordeeld. De rechtbank dient rekening te houden met de omstandigheden waarin het beding ingang vindt om de geldigheid ervan te beoordelen.
De positieve geldigheidsvoorwaarde impliceert dat er in hoofde van de titularis in wiens voordeel het niet-concurrentiebeding is bedongen, een wettig belang is.
Hiertoe dient onderzocht in hoeverre er een wettig belang bestaat bij het bedingen van het niet-concurrentiebeding. Dit kan blijken uit een reële concurrentiële bedreiging.
De negatieve geldigheidsvoorwaarde houdt in dat een niet-concurrentiebeding er niet mag toe leiden dat de mogelijkheid van de tegenpartij om in haar behoorlijk levensonderhoud te voorzien ernstig in het gedrang gebracht wordt. Dit algemene criterium wordt doorgaans geconcretiseerd aan de hand van drie specifieke voorwaarden: niet-concurrentiebedingen moeten beperkt zijn wat betreft (1) de aard van de uitgesloten activiteit, (2) de tijdspanne waarin het niet-concurrentiebeding geldt en (3) de ruimte waarbinnen het niet-concurrentiebeding dient gerespecteerd te worden.
Deze drie specifieke voorwaarden pogen het voormelde algemene criterium te concretiseren om zo de eerbiediging ervan praktisch eenvoudiger te maken.
Rekening dient hierbij ook gehouden met het takenpakket van de contractant.
Een onredelijke beperking wat betreft de aard van de uitgesloten activiteit bestaat bijvoorbeeld in een clausule die uitsluit en verbiedt.:
«(i) het actief aanwerven voor, het tewerkgesteld worden door, een belang hebben in of op om het even welke manier bijstand verlenen aan enige persoon of vennootschap direct of indirect actief in de sector van NV T. of van een met NV T. verbonden vennootschap;
(ii) het actief afwerven of trachten af te werven van enige werknemer of zelfstandige medewerker van NV T. of van een met NV T. verbonden vennootschap, ongeacht of dergelijke persoon contractbreuk zou plegen door NV T. te verlaten of niet, of de samenwerking van een dergelijke persoon met NV T. te ontmoedigen.»
Een onderneming concurreert niet alleen met bedrijven die gelijksoortige producten of diensten aanbieden, maar ook met bedrijven die alternatieve producten of diensten verkopen (producten of diensten die voorzien in dezelfde behoeften). Op basis hiervan kunnen we stellen dat er sprake is van twee soorten concurrentie, nl. directe concurrentie: aanbieders van alternatieve producten of diensten die in een voor de klant dezelfde behoefte voorzien.
- Nagezien dient of de in het niet-concurrentiebeding voorziene periode volgend op de beëindiging van de managementovereenkomst verenigbaar is met het beginsel van vrijheid van ondernemen.
- Nagezien dient of er een onredelijke beperking is wat betreft de ruimte waarbinnen het niet-concurrentiebeding dient gerespecteerd te worden. Een beperking tot het volledig grondgebied «België» zal behoudens uitzonderingen als te verregaand worden aanzien.
Uit wat voorafgaat volgt dat een niet-concurrentiebeding zoals voormeld nietig is Een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid, (beginsel van van openbare orde) is nietig. De onredelijkheid van de beperking van de concurrentie kan bestaan in een beperking naar voorwerp, territorium of duur.
Indien een overeenkomst of een beding strijdig is met een bepaling van openbare orde en bijgevolg nietig is, kan de rechter de nietigheid, indien een partiële nietigheid mogelijk is en tenzij de wet dat verbiedt, beperken tot het met die bepaling strijdige gedeelte van de overeenkomst of het beding op voorwaarde dat het voortbestaan van de gedeeltelijk vernietigde overeenkomst of het beding beantwoordt aan de partijbedoeling.
De rechter kan, indien een partiële nietigheid van een dergelijk beding mogelijk is, de nietigheid beperken tot het deel dat in strijd is met de openbare orde, voor zover het voortbestaan van het gedeeltelijk vernietigd beding beantwoordt aan de partijbedoeling.
De rechter moet daarbij nagaan of een partiële nietigheid verenigbaar is met het doel dat de partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen hadden en of hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de gerechtvaardigde belangen en verwachtingen van de partijen.
Dit past perfect in een tendens om de nietigheidssanctie op een meer flexibele manier toe te passen en de nietigheid, als sanctie, zo goed mogelijk op maat te snijden van de concrete omstandigheden van het geval.
Er gelden daarbij bepaalde voorwaarden, namelijk dat de partiële nietigheid mogelijk moet zijn en dat de rechter moet nagaan of het voortbestaan van het gedeeltelijk vernietigd beding aan de partijbedoeling beantwoordt.
De vereiste dat een partiële nietigheid «mogelijk» moet zijn, houdt in dat het beding deelbaar moet zijn en de toepassing van de partiële nietigheid geen afbreuk mag doen aan regels van openbare orde of dwingend recht noch aan de doelmatigheid van de geschonden rechtsvorm.