Een bankgift bestaande uit een overschrijving behelst een onrechtstreekse schenking, waarbij (inz.) het (notariële) vormvereiste van artikel 931 BW niet speelt (M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, "Overzicht van rechtspraak (2009-2011): Giften", TPR 2013, 570-571, nr. 506). Bij gebrek aan daadwerkelijke traditio, gaat het niet om een handgift. Het voorwerp van de overdracht is in dit geval immers een schuldvordering en geen lichamelijk roerend goed (M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, "Overzicht van rechtspraak (2009-2011): Giften", TPR 2013, 481, nr. 392, 585-586, nr. 525 en inz. 594-596, nr. 540).
Pijnpunt is evenwel dat een onrechtstreekse schenking klassiek via een vormelijk neutrale rechtshandeling moet gebeuren, zodat de akte eigenlijk niet zou mogen aangeven wat haar oorzaak is (M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, "Overzicht van rechtspraak (2009-2011): Giften", TPR 2013, 596-597, nr. 541).
De vraag is of de enkele vermelding 'gift' bij de betaling/overschrijving meteen de (civielrechtelijke) nietigheid van de rechtshandeling meebrengt.
Een onrechtstreekse schenking is in essentie een schenking die, buiten alle veinzing om, onder de vorm van een andere rechtshandeling gebeurt, zo bijvoorbeeld een overschrijving van bankrekening naar bankrekening (R. Dekkers en H. Casman, Handboek burgerlijk recht, IV, Huwelijksstelsels, Erfrecht en giften, Antwerpen, lntersentia, 2010, 620, nrs. 967-968).
Anders dan bij de vermomde gift, is er geen veinzing. Mede in die optiek komt het bijzonder kunstmatig over om de enkele vermelding van 'gift' te penaliseren met de (civielrechtelijke) nietigheidssanctie (zie ook en vgl. R. Dekkers en H. Casman, Handboek burgerlijk recht, IV, Huwelijksstelsels, Erfrecht en giften, Antwerpen, lntersentia, 2010, 621, nr. 970: "Met één woord: onrechtstreekse schenkingen zijn immers schenkingen die zich aan de vormvereisten van de schenkingen niet storen. Mag dat? Is de plechtigheid dan geen wezenlijke eis voor elke schenking? Wat blijft er van die plechtigheid over, wanneer men ze omzeilen mag? Niets, inderdaad. En daarin juist ligt de betekenis van de erkenning van de onrechtstreekse schenkingen door de rechtspraak, de rechtsleer en de wet zelf (artt. 1121, 1282-1283, 1793 BW). De eis van de plechtigheid weegt te zwaar en geldt voor schenkingen in beperkte zin: gewone, rechtstreekse schenkingen.").
Het hof is van oordeel dat de enkele vermelding 'gift' bij de betaling/overschrijving als zodanig in casu niet de (civielrechtelijke) nietigheid van de rechtshandeling meebrengt (zie ook en vgl. Antwerpen 3 oktober 2007, NjW 2008, 259; M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix en N. Geelhand, "Overzicht van rechtspraak (2009-2011): Giften", TPR 2013, 587-588, nr. 527). De grondvereisten van de schenking zijn vervuld, terwijl een al te stringente (nodeloze) invulling van vormvereisten niet doorslaggevend kan zijn. Onverkort stellen dat noch expliciet noch impliciet uit de akte mag blijken dat animo donandi is gehandeld, is niet meer van deze tijd waar te streng/nodeloos form