Het onvrijwillig toebrengen van slagen en verwondingen (art. 418 e.v. S.W 1867 en art. oud 1382 B.W.) d.m.v. het op de markt brengen van een middel waarvan wordt voorgehouden dat het minstens gedeeltelijk samengesteld was uit toxische bestanddelen die een intoxicatie veroorzaken kan aangemerkt worden als een onrechtmatige daad mits fot, schade en causaal verband kunnen aangetoond door de schadelijder die hiervan de bewijslast draagt (art. 1315 eerste lid oud B.W. en art. 870 Ger. W.).
Hierbij dient dan derhalve bewezen dat de samenstelling van dit middel op het ogenblik dat het op de markt werd gebracht en door de gebruiker. ter gebruik werd aangekocht, een fout uitmaakte.
Probleem kan hierbij zijn de correlatie met de in de omgeving gemeten aanwezige giftstof tijdens een expertise niet gerelateerd is met de luchtconcentratie bij het aanbrengen, wanneer de giftstof verdampt. Soms kan een meting in het huisstof helpen, maar wanneer er een te lange tijd verstreken is, kan ook dit huisstof geen uitsluitsel bieden.
Wanneer het schade berokkenend middel op de markt werd gebracht met een giftstof op een moment dat dit gif nog niet verboden was (ook al werd het later verboden) kan de producent niet aansprakelijk worden gesteld.
De loutere omstandigheid dat een product een toxische werking had, zeker wanneer het een beschermend middel is (bv. tegen insecten en rot) en ingrediënten bevatte die potentieel schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid, volstaat echter niet om tot een fout te besluiten.
De producenten van het middel kunnen zich hierbij beroepen op het ontwikkelingsrisicoverweer, stellende dat in de toenmalige stand van de wetenschap zij zich objectief in de onmogelijkheid bevonden het bestaan van het gebrek in het product te ontdekken.
Let wel: voor feiten vanaf 1 januari 2025 is het nieuwe BW van toepassing (bepalingen art. 6.41 en volgende).
De bepalingen van art. 6.41 en volgende van boek 6 (nieuw) BW. nemen de bepalingen over van de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, die het resultaat is van de omzetting van de Europese Richtlijn 85/374/EEG van 25 juli 1985.
De oorspronkelijke tekst van de wet van 25 februari 1991 werd enkel gewijzigd met betrekking tot de volgende louter formele punten:
— met het oog op de eenvormigheid van de presentatie van de teksten in dit voorstel werd bovenaan ieder artikel een titel toegevoegd;
— de woorden “Europese Gemeenschap” werden vervangen door de woorden “Europese Unie”;
— het woord “slachtoffer” werd vervangen door “benadeelde”;
— de interne verwijzingen naar “deze wet” werden aangepast en vervangen door “deze afdeling” of “dit Wetboek”, al naargelang het geval.
Artikel 16 van de wet bevat een regel van overgangsrecht die in het Burgerlijk Wetboek geen reden van bestaan meer heeft. Het wordt opgeheven.
Er zij evenwel op gewezen dat de Europese Richtlijn 85/374/EEG van 25 juli 1985 momenteel wordt herzien en dat de voorgestelde wijzigingen aanzienlijk zijn, met name met het oog op de integratie van ontwikkelingen in verband met kunstmatige intelligentie (Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, COM(2022)495 def.) Daarom zal het systeem in de nabije toekomst waarschijnlijk moeten worden herzien.
Uittreksel uit boek 6 (nieuw) BW met betrekking tot productaansprakelijkheid
Afdeling 1. - Aansprakelijkheid voor gebrekkige producten
Art. 6.41. Beginsel
De producent is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door een gebrek in zijn product.
Art. 6.42. Product
Onder "product" wordt verstaan elk lichamelijk roerend goed, ook indien het een bestanddeel vormt van een ander roerend of onroerend goed, of indien het door bestemming onroerend is geworden.
Onder product wordt ook elektriciteit verstaan.
Art. 6.43. Producent
Onder "producent" wordt verstaan de fabrikant van een eindproduct, de fabrikant van een onderdeel van een eindproduct, de fabrikant of de producent van een grondstof, alsmede eenieder die zich als fabrikant of producent aandient door zijn naam, zijn merk of een ander herkenningsteken op het product aan te brengen.
Art. 6.44. Andere als producent beschouwde personen
Onverminderd de aansprakelijkheid van de producent, wordt eenieder die, in het kader van zijn economische werkzaamheden, een product in de Europese Unie invoert, met het oogmerk het te verkopen of het gebruik ervan aan derden over te dragen, als producent beschouwd; zijn aansprakelijkheid is dezelfde als die van de producent.
De leverancier van het product dat de schade heeft veroorzaakt, wordt als producent beschouwd wanneer:
1° in het geval het product vervaardigd is op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie, niet kan worden vastgesteld wie de producent van het product is, tenzij de leverancier binnen een redelijke termijn aan de benadeelde de identiteit meedeelt van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd;
2° in het geval het product ingevoerd is in de Europese Unie, niet kan worden vastgesteld wie de invoerder van het product is, ook al is de naam van de producent aangegeven, tenzij de leverancier binnen een redelijke termijn aan de benadeelde de identiteit meedeelt van de invoerder of van degene die hem het product heeft geleverd.
Art. 6.45. Gebrekkig product
Een product is gebrekkig wanneer het niet de veiligheid biedt die men gerechtigd is te verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen, met name:
1° de presentatie van het product;
2° het normaal of redelijkerwijze voorzienbaar gebruik van het product;
3° het tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht.
Een product mag niet als gebrekkig worden beschouwd uitsluitend omdat er nadien een beter product in het verkeer is gebracht.
Art. 6.46. In het verkeer brenging
Onder "in het verkeer brengen" wordt verstaan de eerste daad waaruit de bedoeling van de producent blijkt om aan het product de bestemming te verlenen die hij aan dat product geeft door overdracht aan derden of door gebruik ten behoeve van laatstgenoemden.
Art. 6.47. Bewijslast
Het bewijs van de schade, van het gebrek en van het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade moet door de benadeelde worden geleverd.
Art. 6.48. Gronden van uitsluiting van aansprakelijkheid
De producent is uit hoofde van deze afdeling aansprakelijk, tenzij hij bewijst:
a) dat hij het product niet in het verkeer heeft gebracht;
b) dat het, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat het gebrek dat de schade heeft veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer heeft gebracht, dan wel dat het gebrek later is ontstaan;
c) dat het product noch voor de verkoop of voor enige andere vorm van verspreiding met een economisch doel van de producent is vervaardigd, noch vervaardigd of verspreid in het kader van de uitoefening van zijn beroep;
d) dat het gebrek een gevolg is van het feit dat het product in overeenstemming is met dwingende overheidsvoorschriften;
e) dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken;
f) dat, wat de producent van een onderdeel of de producent van een grondstof betreft, het gebrek te wijten is aan het ontwerp van het product waarvan het onderdeel of de grondstof een bestanddeel vormt, dan wel aan de onderrichtingen die door de producent van dat product zijn verstrekt.
Art. 6.49. Hoofdelijke aansprakelijkheid
Indien uit hoofde van deze afdeling verscheidene personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, is elk van hen, onverminderd het regresrecht, hoofdelijk aansprakelijk.
Art. 6.50. Bedingen tot beperking van de aansprakelijkheid
§ 1. De aansprakelijkheid van de producent kan ten aanzien van de benadeelde niet worden uitgesloten of beperkt bij contract.
§ 2. Zij kan worden uitgesloten of beperkt wanneer de schade wordt veroorzaakt, zowel door een gebrek in het product, als door schuld van de benadeelde of van een persoon voor wie de benadeelde verantwoordelijk is.
Onverminderd het regresrecht, wordt de aansprakelijkheid ten aanzien van de benadeelde niet uitgesloten of beperkt wanneer de schade wordt veroorzaakt, zowel door een gebrek in het product, als door toedoen van derden.
Art. 6.51. Vergoedbare schade
§ 1. De schadeloosstelling die uit hoofde van deze afdeling kan worden bekomen, dekt de schade toegebracht aan personen, met inbegrip van morele schade en, onder voorbehoud van de hiernavolgende bepalingen, de schade toegebracht aan goederen.
§ 2. Schade toegebracht aan goederen levert alleen grond tot schadeloosstelling op indien de goederen gewoonlijk bestemd zijn voor gebruik of verbruik in de privésfeer en door de benadeelde hoofdzakelijk zijn gebruikt voor gebruik of verbruik in de privésfeer.
Schade toegebracht aan het gebrekkig product levert geen grond tot schadeloosstelling op.
Schadeloosstelling voor schade toegebracht aan goederen is slechts verschuldigd onder aftrek van een franchise van vijfhonderd euro.
§ 3. De Koning kan het in paragraaf 2 bepaalde bedrag wijzigen teneinde het in overeenstemming te brengen met de besluiten die de Raad heeft vastgesteld met toepassing van artikel 18.2 van de Richtlijn 85/374/EEG van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken.
Art. 6.52. Verval- en verjaringstermijnen
§ 1. Onverminderd artikel 2277ter van het oud Burgerlijk Wetboek, vervalt het recht van de benadeelde om van de producent schadevergoeding te bekomen uit hoofde van deze afdeling na een termijn van tien jaar, te rekenen van de dag waarop deze het product in het verkeer heeft gebracht, tenzij de benadeelde gedurende die periode op grond van deze afdeling een gerechtelijke procedure heeft ingesteld.
§ 2. Onverminderd artikel 2277ter van het oud Burgerlijk Wetboek, verjaart de rechtsvordering ingesteld op grond van deze afdeling door verloop van drie jaar, te rekenen van de dag waarop de benadeelde redelijkerwijs kennis had moeten hebben van de schade, het gebrek en de identiteit van de producent.
De bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek betreffende schorsing en stuiting van de verjaring zijn op die rechtsvorderingen van toepassing.
Art. 6.53. Samenloop met andere aansprakelijkheidsgronden
Deze afdeling laat de rechten die de benadeelde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid onverlet.
Art. 6.54. Samenloop met sociale zekerheidstelsels
Uitkeringsgerechtigden uit hoofde van een regeling inzake sociale zekerheid, arbeidsongevallenvergoeding of beroepsziektenverzekering blijven, ook met betrekking tot schadeloosstelling voor schade die door deze afdeling wordt gedekt, onderworpen aan de wettelijke bepalingen betreffende bedoelde regeling.
In zoverre de schade niet wordt vergoed uit hoofde van een regeling bedoeld in het eerste lid, hebben die uitkeringsgerechtigden het recht, op grond van deze afdeling, schadevergoeding te vorderen, mits zij tegen de aansprakelijke persoon een vordering naar gemeen recht kunnen instellen.
De personen of instellingen die, op grond van de in het eerste lid genoemde regelingen, uitkeringen hebben gedaan aan hen die schade hebben geleden welke door deze afdeling wordt gedekt, of aan hun rechtverkrijgenden, kunnen overeenkomstig deze afdeling tegen de producent het regresrecht uitoefenen dat hun door die regelingen wordt toegekend.
Art. 6.55. Kernenergie
Deze afdeling is niet van toepassing op de vergoeding van schade gedekt door de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, alsmede door de ter uitvoering van die wet genomen besluiten.".