Het in 1994 ingevoerde artikel 23 van de Grondwet bracht de sociaaleconomische en culturele grondrechten onder in één gemeenschappelijke noemer: het recht van eenieder om een menswaardig leven te leiden. Dit fundamentele uitgangspunt werd aanvankelijk beschouwd als een richtinggevende doelstelling voor de wetgever, zonder rechtstreekse afdwingbare subjectieve rechten voor de burger. Intussen heeft het een veel breder en diepgaander parcours afgelegd, niet in het minst door de rechtspraak die artikel 23 heeft voorzien van een duidelijk toetsingskader, met het standstillbeginsel als belangrijk referentiepunt. De vraag rijst of dit beginsel nog volstaat, of dat de kern van artikel 23 – het recht op menselijke waardigheid – rechtstreeks centraal moet komen te staan.
1. Het recht op een menswaardig leven als fundament
De klassieke liberale grondrechten veronderstellen vooral een onthoudingsplicht van de overheid. De sociaaleconomische rechten van artikel 23 zijn anders: zij vergen in beginsel een positieve inzet van de overheid om sociale ongelijkheden te compenseren en maatschappelijke participatie te bevorderen. Het recht op arbeid, billijke arbeidsvoorwaarden, collectief overleg en sociale zekerheid zijn rechtstreeks geïnspireerd door internationale instrumenten zoals het Europees Sociaal Handvest.
Opvallend is dat in de voorbereidende werken nauwelijks wordt ingegaan op de inhoudelijke invulling van menselijke waardigheid. Twee auteurs hebben geprobeerd dit gemis op te vullen: Jacques Fierens en Eric Lancksweerdt. Zij vertrekken vanuit filosofie, moraalwetenschappen en humanistische psychologie. Daarbij wordt menselijke waardigheid beschouwd als het fundament van het recht, en als sokkel van de sociaaleconomische rechten.
Hun benadering sluit aan bij internationale ontwikkelingen. Sinds de preambule van het VN-Handvest en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is menselijke waardigheid een kernbegrip, herhaald in diverse verdragen en ook in andere Europese grondwetten. Het recht op waardigheid is universeel en vormt een juridisch principe dat rechtsordes richting geeft. Dat geldt evenzeer voor de Belgische Grondwet, waarin artikel 23 expliciet verwijst naar dit recht.
Door hedendaagse rechtsfilosofie, onder meer van Martha Nussbaum en Amartya Sen, werd menselijke waardigheid verder geconcretiseerd in termen van vermogens en keuzemogelijkheden (“capabilities”). Ongelijkheid wordt daarbij begrepen als een tekort aan daadwerkelijke mogelijkheden om een volwaardig leven te leiden. Dit geeft de sociaaleconomische grondrechten een dynamisch karakter, dat meer vraagt dan louter formele gelijkheid.
Menselijke waardigheid impliceert bovendien een verantwoordelijkheid van de overheid om een zekerheidskader te bieden, evenals een voldoende toegankelijke rechtspraak die effectief bescherming garandeert. Dit plaatst de rechter niet alleen voor de taak conflicten te beslechten, maar ook voor de opdracht om sociale grondrechten te bewaken binnen een evenwichtig kader.
2. Het standstillbeginsel: bescherming met grenzen
Hoewel artikel 23 geen onmiddellijke subjectieve rechten toekent, verplicht het de overheid wel om de sociale rechten concreet vorm te geven. Daarbij beschikt de wetgever over appreciatiemarge, maar met grenzen: eenmaal een bepaald beschermingsniveau is gerealiseerd, kan dit niet in aanzienlijke mate worden afgebouwd zonder redelijke verantwoording die verband houdt met het algemeen belang. Dit is het standstillbeginsel.
De rechtspraak heeft het beginsel verfijnd. Een vermindering van bescherming moet:
-
werkelijk bestaan,
-
aanzienlijk zijn,
-
worden verantwoord door motieven van algemeen belang,
-
proportioneel zijn.
De overheid draagt de bewijslast voor die verantwoording. Een abstract beroep op budgettaire overwegingen volstaat niet. Evenmin is de loutere verwijzing naar een sociaal vangnet zoals het OCMW een voldoende motivering.
In recente arresten werd bevestigd dat standstill een volwaardige evenredigheidstoets vergt. De rechter moet concreet nagaan of de ingreep in het beschermingsniveau gerechtvaardigd is. De motivering hoeft niet noodzakelijk in de regelgeving zelf te staan; zij kan ook achteraf worden gegeven, zolang de redenen daadwerkelijk bestaan.
3. Naar een toetsing op basis van menselijke waardigheid
In de recente rechtsleer groeit de overtuiging dat standstill niet volstaat om artikel 23 volledig tot zijn recht te laten komen. De kern van artikel 23 – het recht op menselijke waardigheid – is immers wél expliciet verankerd in de Grondwet. Steeds meer auteurs pleiten ervoor om menselijke waardigheid rechtstreeks te gebruiken als toetsingsnorm. Dat zou betekenen dat naast standstill ook een directe beoordeling van de impact op de waardigheid van de burger mogelijk wordt.
Cassatierechtspraak opent die deur. Bij ingrijpende wijzigingen in sociale voorzieningen waarschuwt het Hof dat toetsing niet te abstract mag gebeuren; de concrete gevolgen voor de waardige levensomstandigheden van de burger moeten worden meegewogen. Dit stemt overeen met de bestaande praktijk in OCMW-geschillen, waar menselijke waardigheid reeds lang de leidraad vormt.
4. Conclusie
Artikel 23 verenigt de sociaaleconomische rechten onder het overkoepelende begrip menselijke waardigheid. Dit begrip heeft zich ontwikkeld van een vage richtinggevende notie tot een algemeen rechtsbeginsel met reële normatieve kracht. Het standstillbeginsel heeft een belangrijke rol gespeeld in de bescherming van sociale grondrechten, maar kent grenzen.
Steeds meer stemmen bepleiten om “haasje-over” te maken: niet langer standstill centraal, maar de kernverplichting zelf – het recht om een menswaardig leven te leiden. Die benadering biedt meer houvast bij de beoordeling van maatregelen die de sociale bescherming beperken, en sluit beter aan bij de filosofische, maatschappelijke en juridische ontwikkeling van artikel 23.
Voor overheid en rechterlijke macht ligt hier een belangrijke opdracht: menselijke waardigheid niet alleen erkennen, maar daadwerkelijk vormgeven in regelgeving en rechtspraak. Zo blijft het recht evolueren als instrument van bescherming en gelijkwaardigheid binnen een steeds complexere samenleving.
(Samenvatting van de rede op 2 september 2025 uitgesproken bij de openingszitting voor het gerechtelijk jaar 2025-2026 van het arbeidshof Brussel door ere-kamervoorzitter Lieven Lenaerts.)