Buitencontractuele aansprakelijkheid gaat over schade die je aan iemand berokkent buiten een contract om. Denk aan een verkeersongeval, een val door een gebrekkige trap, of schade door een kind of huisdier. Met het nieuwe Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is dit recht moderner en duidelijker opgebouwd, met regels die vroeger vaak vooral uit rechtspraak kwamen.
Waarom Boek 6 er is
De vroegere wettelijke basis was beperkt en veel kernbegrippen stonden niet scherp in de wet. Daardoor was het soms moeilijk te voorspellen wat precies gold. Boek 6 wil vooral meer duidelijkheid brengen en tegelijk een aantal verouderde uitgangspunten vervangen.
Algemene spelregels en samenloop met contract
De regels van Boek 6 zijn in principe aanvullend: vaak kan men er contractueel van afwijken, tenzij een regel of een andere wet dat niet toelaat. Boek 6 geldt uitdrukkelijk ook voor rechtspersonen.
Een grote verandering is de verhouding met contracten. In principe kan je voortaan ook je contractspartner buitencontractueel aanspreken, tenzij de wet of het contract dat uitsluit. Bij schade die samenhangt met een wanprestatie blijven de verweermiddelen uit het contract wel tegenwerpelijk, behalve in twee situaties: bij aantasting van de fysieke integriteit en bij opzettelijk veroorzaakte schade. Ook de vroegere quasi-immuniteit van de hulppersoon verdwijnt: een hulppersoon kan buitencontractueel worden aangesproken, al kan die zich wel beroepen op de verweermiddelen van zijn opdrachtgever.
Wanneer is iemand aansprakelijk
Boek 6 werkt met drie grote bronnen van aansprakelijkheid.
Ten eerste is er aansprakelijkheid voor de eigen daad (de “fout”). Een fout is de schending van een gedragsregel of van de algemene zorgvuldigheid. Boek 6 legt minder nadruk op een zuiver “subjectief” foutbegrip, maar laat wel uitsluitingsgronden toe, zoals overmacht of handelen op bevel van wet of overheid.
Opvallend is de regel over kinderen: wie jonger is dan twaalf jaar is niet aansprakelijk voor schade die hij door zijn fout veroorzaakt. Voor minderjarigen vanaf twaalf jaar en voor geestesgestoorden blijft aansprakelijkheid mogelijk, maar de rechter kan de schadevergoeding matigen.
Ten tweede is er aansprakelijkheid voor andermans daad.
Ouders met ouderlijk gezag zijn in principe foutloos aansprakelijk voor schade die hun kinderen veroorzaken. Zij kunnen niet meer ontsnappen door te bewijzen dat zij goed opvoedden of voldoende toezicht hielden. Boek 6 koppelt daaraan een verplichte verzekering voor ouderlijke aansprakelijkheid. Alleen wanneer het kind minstens zestien jaar is, kunnen ouders zich bevrijden als zij aantonen dat de schade niet het gevolg is van een fout in hun toezicht.
Daarnaast voorziet Boek 6 aansprakelijkheid voor wie belast is met toezicht op anderen, inclusief onderwijsinstellingen voor schade veroorzaakt door leerlingen. In tegenstelling tot ouders kunnen toezichthouders zich bevrijden door te bewijzen dat hen geen fout in het toezicht te verwijten valt. Ook hier geldt een verzekeringsplicht. De individuele onderwijzer wordt niet langer als aparte risicodrager naar voren geschoven.
Verder blijft er de aansprakelijkheid van de aansteller voor zijn aangestelde.
Een belangrijke modernisering is dat rechtspersonen foutloos aansprakelijk zijn voor personen die een niet-ondergeschikte bestuursfunctie uitoefenen, en voor niet-ondergeschikte vertegenwoordigers van de openbare macht. Dat maakt duidelijker wie men kan aanspreken bij schade die uit bestuur of uitoefening van publieke macht voortvloeit.
Ten derde is er foutloze aansprakelijkheid voor zaken en dieren.
De bewaarder van een gebrekkige zaak is aansprakelijk zonder dat men fout moet bewijzen. Een zaak is gebrekkig wanneer zij niet de veiligheid biedt die men redelijkerwijs mag verwachten in de omstandigheden. Ook de bewaarder van een dier draagt foutloze aansprakelijkheid.
Oorzakelijk verband: hoe koppel je feit en schade
Boek 6 bevestigt als basisregel dat een feit oorzaak is van schade als het een noodzakelijke voorwaarde was voor die schade.
Tegelijk voorziet Boek 6 twee correcties.
Een eerste correctie gaat over situaties waarin meerdere feiten elk op zichzelf de schade konden veroorzaken. Ook dan kan een feit als oorzaak gelden, zodat iemand niet ontsnapt enkel omdat er nog een andere voldoende oorzaak aanwezig was.
Een tweede correctie geeft de rechter ruimte om het verband toch af te wijzen als het verband te ver verwijderd is en het kennelijk onredelijk zou zijn de schade toe te rekenen. Daarbij wordt vooral gelet op het onvoorzienbare karakter van de schade en op de vraag of het feit betekenisvol heeft bijgedragen.
Boek 6 regelt ook de situatie van meerdere aansprakelijke personen. Wie aansprakelijk is voor dezelfde schade, is in solidum gehouden. Wie iemand aanzet tot een fout of helpt met het doel schade te veroorzaken, kan mee in solidum aansprakelijk zijn.
Eigen fout van het slachtoffer speelt eveneens mee. Als het slachtoffer ouder is dan twaalf jaar en zelf bijdroeg aan het ontstaan van de schade, wordt de vergoeding verminderd in verhouding tot die bijdrage. Bij opzettelijke schade gelden strengere regels: opzet kan ertoe leiden dat het slachtoffer niets krijgt, of dat de aansprakelijke juist volledig moet vergoeden.
Nieuw zijn ook regels voor causale onzekerheid met gedeeltelijke vergoeding volgens waarschijnlijkheid.
Als er een reële kans is dat de schade niet zou zijn ontstaan bij correct gedrag, maar men niet kan bewijzen dat de fout de schade werkelijk veroorzaakte, kan het slachtoffer een gedeeltelijke vergoeding krijgen in verhouding tot de waarschijnlijkheid.
Als meerdere gelijkaardige feiten door verschillende personen het slachtoffer aan hetzelfde risico hebben blootgesteld en niet kan worden aangetoond welk feit de schade veroorzaakte, draagt elk aansprakelijkheid volgens waarschijnlijkheid, tenzij iemand bewijst dat zijn feit geen oorzaak kon zijn.
Schade: wat is vergoedbaar
Boek 6 omschrijft schade als de economische en niet-economische weerslag van de aantasting van een juridisch beschermd belang. Niet elke schade is vergoedbaar. Verlies dat voortkomt uit een onrechtmatige activiteit die aan het slachtoffer kan worden toegerekend, geeft geen recht op vergoeding.
In principe is alleen schade door aantasting van een persoonlijk belang vergoedbaar: de titularis van het aangetaste belang vraagt vergoeding. Collectieve belangen leiden slechts tot vergoeding in de gevallen die de wet bepaalt.
Schade moet zeker zijn, maar toekomstige schade kan wel vergoed worden als ze voldoende vaststaat.
Boek 6 erkent ook schade bij terugslag: de eigen schade van iemand die wordt getroffen doordat eerst het belang van een ander werd aangetast, mits er een juridische band of een voldoende nauwe genegenheidsband is. De aansprakelijke kan daarbij verweermiddelen tegenwerpen die ook tegenover het rechtstreeks slachtoffer zouden gelden.
Boek 6 regelt ook preventiekosten: redelijke en dringende maatregelen om dreigende schade of verergering te voorkomen kunnen ten laste komen van de aansprakelijke (of van wie aansprakelijk zou zijn als de schade zich zou voordoen). Daarnaast kan de rechter bevelen of verboden opleggen om herhaling of voortzetting van de fout en verdere schade te vermijden.
Bij een bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer geldt als uitgangspunt integrale vergoeding, ook als die kwetsbaarheid mee een oorzaak is. Wel zijn er regels om te onderscheiden tussen nieuwe schade, verergering en schade die enkel vroeger is opgetreden door het schadeverwekkend feit.
Hoe wordt vergoed
Het uitgangspunt blijft volledig herstel: het slachtoffer moet zoveel mogelijk worden gebracht naar de toestand alsof het schadeverwekkend feit niet gebeurde. Voor morele schade wordt gesproken over een billijke en passende vergoeding voor pijn, leed en psychische gevolgen.
Vergoeding kan via geld of via herstel in natura (of beide). Herstel in natura betekent dat de gevolgen echt ongedaan worden gemaakt. De benadeelde kan dat vragen, tenzij het onmogelijk of kennelijk onredelijk is, te veel dwang op de persoon vereist of in strijd is met menselijke waardigheid. De aansprakelijke kan herstel aanbieden, maar de benadeelde kan dat weigeren als hij daarvoor gegronde redenen heeft (bijvoorbeeld totaal gebrek aan vertrouwen).
Bij bepaalde opzettelijke inbreuken op persoonlijkheidsrechten of op eer en reputatie kan de rechter een bijkomende vergoeding toekennen die aansluit bij (een deel van) de nettowinst van de aansprakelijke, om te vermijden dat onrecht loont.
De schade wordt in principe gewaardeerd zo dicht mogelijk bij het moment van effectieve vergoeding.
Voor toekomstige schade bij aantasting van de fysieke integriteit kan de vergoeding gebeuren via forfait, kapitalisatie of rente. De rechter kan zelfs een rente opleggen om het slachtoffer te beschermen, ook als het slachtoffer dat niet vroeg.
Voordelen die het slachtoffer enkel kreeg door het schadegeval en die bedoeld zijn als vergoeding, worden in mindering gebracht. Voordelen die als gift bedoeld zijn, niet.
De rechter moet schadeposten afzonderlijk benoemen, al blijft een billijke forfaitaire totaalvergoeding mogelijk als het anders niet kan. Schade kan ook worden geschat als exact begroten te moeilijk of te duur is.
Bij lichamelijke schade bestaat een belangrijk beschermingsmechanisme: als later “nieuwe” schade of verergering blijkt die men redelijkerwijs niet kon kennen bij de beslissing of regeling, kan het slachtoffer daarvoor bijkomend vorderen. Van dat recht kan men niet afstand doen.
Voor beschadiging of verlies van een zaak zijn er regels over herstelkosten en vervangingskosten, met grenzen wanneer herstel duurder is dan vervanging en met aandacht voor waardevermindering.
Bevel of verbod om schade te voorkomen
Naast vergoeding achteraf kan de rechter ook vooraf ingrijpen. Bij een vaststaande of ernstig dreigende schending van een gedragsregel kan de rechter, op vordering van iemand die daardoor aantasting van zijn zaken of lichamelijke integriteit dreigt te lijden, een bevel of verbod opleggen om naleving af te dwingen en zo schade te vermijden.
Bijzondere regimes
Boek 6 voorziet een plaats waar bijzondere aansprakelijkheidsstelsels worden ondergebracht. Daarin is productaansprakelijkheid opgenomen (aldus kon de wet op de productaansprakelijkheid worden afgeschaft, en het systeem laat toe dat later ook andere bijzondere regimes worden toegevoegd.
Slot
Boek 6 maakt het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht overzichtelijker en scherper in regels. In de praktijk springen vooral deze veranderingen in het oog: makkelijker buitencontractueel aanspreken van contractspartijen, foutloze ouderlijke aansprakelijkheid met verzekeringsplicht, duidelijke foutloze aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken en dieren, nieuwe oplossingen voor causale onzekerheid en een expliciete basis voor preventieve bevelen en verboden.
Overgangsbepaling en inwerkingtreding
De wet bevat duidelijk (en zeer belangrijk voor de praktijk) de overgangsregel:
-
• Boek 6 is van toepassing op feiten die tot aansprakelijkheid kunnen leiden die zich hebben voorgedaan na inwerkingtreding.
-
• Niet van toepassing op toekomstige gevolgen van feiten van vóór de inwerkingtreding.
En de wet treedt in werking: