De strafrechter dient bij de berekening van de
rechtsplegingsvergoeding in beginsel uit te gaan van het gevorderde bedrag, doch slechts in zoverre dit gebaseerd is op een telastlegging of telastleggingen die hij bewezen verklaart.
Krachtens artikel 162
bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering veroordeelt ieder veroordelend vonnis uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, hen tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek.
Volgens artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt het basis-, minimum- en maximumbedrag vastgesteld door de Koning bij een in ministerraad overlegd besluit.
Volgens artikel 1 Tarief Rechtsplegingsvergoeding wordt het bedrag van de basis-, minimum- en maximumbedragen van de in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsplegingsvergoeding vastgesteld per aanleg en volgens de bepalingen van dit besluit. Artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalt voor de in geld waardeerbare vorderingen op basis van het bedrag van die vorderingen de basis-, minimum- en maximumbedragen. Het bedrag van die vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 559, 561, 562 en 618 Gerechtelijk Wetboek.
Uit deze bepalingen volgt dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in beginsel wordt berekend op basis van het gevorderde bedrag en niet op basis van het aan de in het gelijk gestelde partij toegekende bedrag. De rechter kan de rechtsplegingsvergoeding niettemin berekenen op basis van het toegekende veeleer dan op basis van het gevorderde bedrag, wanneer dit laatste bedrag volgt ofwel uit een klaarblijkelijke overwaardering die de normaal bedachtzame en zorgvuldige rechtszoekende niet zou hebben begaan, ofwel uit een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op kunstmatige wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot een hogere schijf van de rechtsplegingsvergoeding, zonder hiertoe verplicht te zijn.
Uit artikel 162bis Wetboek van Strafvordering volgt tevens dat de strafrechter een beklaagde slechts kan veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij indien hij de beklaagde schuldig verklaart aan de misdrijven waarop de burgerlijke partij haar rechtsvordering steunt. Indien de strafrechter de beklaagde vrijspreekt voor een of meerdere telastleggingen, kan hij bij het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding geen rekening houden met het bedrag gevorderd door de burgerlijke partij voor de telastleggingen waarvoor hij vrijspreekt.