Personele toepassingsgebied van de RSZ-Wet - Arbeidsovereenkomst: juridische regels en beginselen
Artikel 1 van de RSZ-Wet bepaalt dat deze wet toepassing vindt op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden.
Een arbeidsovereenkomst is een overeenkomst waarbij de werknemer zich ertoe verbindt tegen loon arbeid te verrichten onder het gezag van de werkgever (art. 2, 3, 4 en 5 Arbeidsovereenkomstenwet; art. 328, 5°, a) Arbeidsrelatiewet;
Het begrip arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet
Als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet moet worden beschouwd, de arbeid die een werknemer die zich daartoe bij overeenkomst heeft verbonden, tegen loon en onder het gezag van een werkgever verricht, onverschillig of het overeengekomen loon beperkt is en onverschillig of die arbeid wordt verricht als vrijetijdsbesteding, zonder het oogmerk een inkomen te verwerven. Het beperkte loon laat dus niet toe een activiteit te diskwalificeren als arbeid. Evenmin laten de achterliggende beweegredenen voor die activiteit dit toe.
Het Hof van keert zich tegen die rechtspraak en die doctrine die aan de hand van elementen extrinsiek aan een activiteit, sommige activiteiten het karakter van (beroeps)arbeid ontzegde.
Het begrip loon
Het loon betreft de tegenprestatie van de arbeid die wordt verricht.
De partijen moeten dienaangaande wel wilsovereenstemming hebben bereikt. Het recht op loon, of anders gezegd het feit dat een persoon betaald zal worden voor zijn arbeid, moet dus wel degelijk bedongen en overeengekomen zijn.
Het is pas in die omstandigheid dat het presteren van arbeid vervolgens ook recht geeft op opeisbaar loon, op gevaar anders elke vorm van onbezoldigde arbeid juridisch onmogelijk te maken. Indien het immers zo is dat het presteren van arbeid op zich een recht op loon doet ontstaan, dan zou elke arbeidsprestatie in welke arbeidsrelatie dan ook, per definitie vertoond moeten worden, en zou elke arbeidsrelatie vervallen tot de kwalificatie arbeids- of aannemingsovereenkomst.
Het is wel niet noodzakelijk om te kunnen vaststellen dat de partijen een loon hebben overeengekomen, dat zij het loonbedrag of alle looncomponenten daarvan uitdrukkelijk hebben bepaald. Het loon en de componenten daarvan moeten minstens bepaalbaar zijn.
Het begrip gezag
Er is volgens het Hof van Cassatie een gezagsrelatie aanwezig wanneer een persoon in feite gezag kan uitoefenen over andermans handelingen.
Het komt er bij de beoordeling van het bestaan van een arbeidsovereenkomst dus op aan te beoordelen of de gegevens waarvan het bewijs wordt verstrekt, een toepassing of een mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid aantonen.
Deze beoordeling gebeurt aan de hand van de criteria bepaald in artikel 333, § 1 van de Arbeidsrelatiewet. Dit artikel bepaalt dat de algemene criteria die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen de volgende zijn:
(a) de wil der partijen zoals die in hun overeenkomst werd uitgedrukt, voor zover deze laatste overeenkomstig de bepalingen van artikel 331 wordt uitgevoerd; (b) de vrijheid van organisatie van de werktijd;
(c) de vrijheid van organisatie van het werk;
(d) de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen.
Artikel 331 van de Arbeidsrelatiewet formuleert als maatgevend principe dat de partijen - zonder de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden - vrij de aard van hun arbeidsrelatie kiezen, waarbij de effectieve uitvoering van de overeenkomst moet overeenkomen met de aard van de arbeidsrelatie. Er moet voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit (art. 332 Arbeidsrelatiewet).
Hoewel de artikelen 331 en 332 van de Arbeidsrelatiewet werden ingevoerd ter regeling van het onderscheid tussen werknemers en zelfstandigen, geven zij uiting aan een algemene bewijsrechtelijke regel die inhoudt dat moet uitgegaan worden van de partijenkwalificatie, tenzij de partij die aanvoert dat die kwalificatie niet klopt, ook het bewijs levert van elementen die onverzoenbaar zijn met de partijenkwalificatie
De vrijwilligersovereenkomst - socialezekerheidspositie van de vrijwilliger: juridische regels en beginselen
Wanneer de partijen hun arbeidsrelatie kwalificeren als een vrijwilligersovereenkomst en de RSZ voorhoudt dat die kwalificatie niet klopt, maar dat er daarentegen sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan komt het aan de RSZ toe hiervan het bewijs te leveren.
De Vrijwilligerswet van 3 juli 2005, die in werking is getreden op 1 augustus 2006, verduidelijkt thans wat onder een "vrijwilliger" moet worden verstaan.
Een vrijwilliger is een natuurlijke persoon die vrijwilligerswerk verricht. Vrijwilligerswerk is elke activiteit
(a) die onbezoldigd en onverplicht wordt verricht;
(b) die verricht wordt ten behoeve van één of meer personen, andere dan degene die de activiteit verricht, van een groep of organisatie of van de samenleving als geheel;
(c) die ingericht wordt door een organisatie anders dan het familie- of privéverband van degene die de activiteit verricht;
(d) en die niet door dezelfde persoon en voor dezelfde organisatie wordt verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst, een dienstencontract of een aanstelling als statutair personeelslid (art. 3, 1 ° en 2° Vrijwilligerswet).
Onder organisatie moet voor de uitlegging van voornoemde bepalingen worden verstaan: elke feitelijke vereniging of private of publieke rechtspersoon zonder winstoogmerk die werkt met vrijwilligers, waarbij onder feitelijke vereniging wordt verstaan elke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid van twee of meer personen die in onderling overleg een activiteit organiseren met het oog op de verwezenlijking van een onbaatzuchtige doelstelling, met uitsluiting van enige winstverdeling onder haar leden en bestuurders, en die een rechtstreekse controle uitoefenen op de werking van de vereniging (art. 3, 3° Vrijwilligerswet).
De elementen eigen aan de wettelijke begripsomschrijving van vrijwilligerswerk maken dat een vrijwilliger géén werknemer is. Hoewel het oude artikel 17 quinquies RSZ-Wet (opgeheven bij KB van 9 mei 2007, dit met ingang van 1 augustus 2006) bepaalde dat vrijwilligers onder welbepaalde voorwaarden worden vrijgesteld van de heffing van sociale bijdragen, wordt thans algemeen aanvaard dat vrijwilligers gewoonweg niet onderworpen zijn aan de RSZ-Wet, net omdat zij géén werknemers zijn:
"Een vrijwilliger is geen werknemer, noch een leverancier van diensten, zodat hij principieel niet onderworpen is aan de sociale zekerheid. Het is dan ook niet logisch hem vrij te stellen van onderwerping aan de RSZ, vermits hij er hoegenaamd nooit aan onderworpen is geweest. Nochtans is dit de piste die het koninklijk besluit van 19 november 2001 bewandelt."
Twee elementen laten volgens de meest gangbare opvattingen toe een vrijwilliger te onderscheiden van een werknemer:
- Ten eerste leiden verschillende auteurs uit het onverplicht karakter van vrijwilligerswerk af dat vrijwilligerswerk niet verricht wordt op grond van een civielrechtelijke overeenkomst, die in rechte afdwingbaar is.
De Vrijwilligerswet, zoals finaal aangenomen door de wetgever, bevat uiteindelijk ook niet de bepaling die wel was opgenomen in het oorspronkelijk wetsvoorstel, en die stelde dat een vrijwilligersovereenkomst een bron van verbintenissen naar burgerlijk recht is (art. 6 van het wetsvoorstel, Parl.St. Kamer 2003-04, nr. 499/1, 22). Andere auteurs zijn niettemin van oordeel dat het onverplichte karakter van vrijwilligerswerk er niet aan in de weg staat dat een vrijwilliger en een organisatie een overeenkomst (kunnen) sluiten over de te verrichten activiteit.
- Ten tweede, en op dit vlak zit iedereen wel op dezelfde golflengte, verricht een vrijwilliger in tegenstelling tot een werknemer onbezoldigde arbeid en ontvangt hij of zij dus geen loon. De vaststelling dat een partij geen loon verschuldigd is voor het werk dat te haren dienste is uitgevoerd, volstaat om het bestaan van een arbeidsovereenkomst uit te sluiten. De RSZ-Wet is hoe dan ook niet van toepassing op personen die onbezoldigd arbeid verrichten, en dus geen loon ontvangen als tegenprestatie van hun arbeid.
Omgekeerd is het wel zo dat de minste vorm van verloning, zelfs al is deze zeer beperkt en zelfs al bestaat deze louter uit materiële voordelen, vrijwilligerswerk uitsluit. In die omstandigheden waar zeer bescheiden voordelen worden toegekend voor de geleverde prestaties, spreekt men niet van vrijwilligerswerk, maar van semiagorale arbeid.
Het onderscheid tussen een vrijwilliger en een werknemer moet dus niet worden gezocht en kan ook niet louter worden gevonden in de aard van de arbeid of in het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding. Immers:
- Hoewel de Vrijwilligerswet spreekt van het verrichten van een activiteit, is het duidelijk en wordt het ook algemeen aanvaard dat deze activiteit bestaat, of minstens kan bestaan uit het verrichten van arbeid.
Aangezien een vzw in het bijzonder sinds de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen eender welke activiteit kan voeren en daarbij winst kan maken zolang deze activiteit wordt gevoerd en de winst wordt aangewend voor het belangeloos doel dat in de statuten nader is omschreven is het zeer goed mogelijk dat een vrijwilliger een activiteit/arbeid verricht die volledig ingebed is of deel uitmaakt van een winstgevende activiteit die de organisatie ontplooit, al dan niet in onderaanneming van een handelsvennootschap, zelfs al is dit de hoofdzakelijke activiteit van de vereniging. Dat was voordien ook al het geval, maar toen gold wel de voorwaarde dat de economische activiteiten van de vzw een bijkomstig karakter moesten hebben, op gevaar te worden geherkwalificeerd tot een commerciële vennootschap. Wanneer een vzw zich hoofdzakelijk inlaat met commerciële activiteiten, kan dit wel (nog steeds) fiscale gevolgen hebben, in die zin dat zij zal worden onderworpen aan de vennootschapsbelasting.
Dit alles heeft tot gevolg dat vrijwilligerswerk in sommige omstandigheden zeer sterke gelijkenissen kan vertonen met arbeid die gewoonlijk door werknemers wordt verricht, zoals bijvoorbeeld het uitbaten of minstens het bemannen van een horecazaak.
Hoewel soms anders wordt betoogd, kan het zo zijn dat een vrijwilliger, rekening houdende met alle omstandigheden van de zaak, zijn activiteit/arbeid onder gezag (moet) uitoefenen, ook op vlak van organisatie van de arbeid(stijd) en dus met de bijhorende hiërarchische controle. Dat een vrijwilliger niet hoeft in te gaan op een verzoek of aanbod om prestaties te leveren, wil niet zeggen dat hij of zij, eens de opdracht werd aanvaard, niet onder gezag kan staan.
Wat het onbezoldigd karakter van het vrijwilligerswerk betreft, is het van belang voor ogen te houden dat de Vrijwilligerswet een specifieke regeling voor kostenvergoedingen bevat. Deze regeling houdt in dat aan een vrijwilliger ofwel een forfaitaire onkostenvergoeding kan worden betaald die welbepaalde grenzen niet mag overschrijden, ofwel een reële kostenvergoeding kan worden toegekend. Artikel 10 van de Vrijwilligerswet luidt meer bepaald als volgt:
"Het onbezoldigd karakter van het vrijwilligerswerk belet niet dat de door de vrijwilliger voor de organisatie gemaakte kosten door de organisatie worden vergoed. De realiteit en de omvang van deze kosten moeten niet bewezen worden, voor zover het totaal van de ontvangen vergoedingen niet meer bedraagt dan 24, 79 euro per dag en 991,57 euro per jaar. De in de vorige zin bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex ( ... )
( ... )
Bedraagt het totaal van de door de vrijwilliger van een of meerdere organisatie(s) ontvangen vergoedingen meer dan de in het eerste lid bedoelde bedragen, dan kunnen deze enkel als een terugbetaling van door de vrijwilliger voor de organisatie(s) gemaakte kosten worden beschouwd, indien de realiteit en het bedrag van deze kosten kunnen aangetoond worden aan de hand van bewijskrachtige documenten.
( ... )
De forfaitaire en reële kostenvergoedingen mogen in hoofde van de vrijwilliger niet gecombineerd worden. Een combinatie van de forfaitaire kostenvergoeding met een terugbetaling van de reële vervoerskosten is echter mogelijk voor maximaal 2.000 kilometer per jaar per vrijwilliger. ( ... ).”r
Nog belangrijker, artikel 11 van de Vrijwilligerswet bepaalt dat, indien één van de of alle in artikel 10 bedoelde grenzen overschreden worden en het bewijs niet kan worden geleverd dat deze vergoeding reële kosten dekken, dat de activiteit niet als vrijwilligerswerk kan worden opgevat. De persoon in kwestie kan bijgevolg ook geen vrijwilliger worden beschouwd.
Degene die zich op het wettelijk vermoeden beroept, (zoals de RSZ), zal eerst moeten aantonen dat de bij wet bepaalde voorwaarden en/ of grensbedragen zijn overschreden. Slaagt deze partij daar in, dan is het aan de tegenpartij, in deze zaak eisende partij, om het vermoeden te weerleggen door te bewijzen dat de uitgekeerde bedragen niettemin reële kosten dekken.
Fiscale omzendbrieven (cf. Com. WIB 1992, nr. 317/13; Omz. Ci.RH.241/509.803, 5 maart 1999) en ook de instructies van de RSZ aan de werkgevers verplichten vrijwilligersorganisaties ter controle een nominatieve lijst van vrijwilligers en uitbetaalde kostenvergoedingen bij te houden, maar deze verplichting vindt op zich geen grondslag in de Vrijwilligerswet, in de RSZ-Wet of in één van de uitvoeringsbesluiten bij die wetten. Zoals de hierboven aangehaalde omzendbrief Com. WIB 1992 duidelijk maakt, moet de administratie in geval van onduidelijkheid of twijfel over de (juistheid) van de bedragen, zo nodig aanvullende onderzoekingen doen.
Het is dus niet zo dat het niet kunnen voorleggen van de nominatieve lijst hoe dan ook gelijkgesteld kan worden met het overschrijden van de grensbedragen vermeld in artikel 10 van de Vrijwilligerswet. Enkel verdere onderzoekingen kunnen dit uitwijzen.
Het is daarenboven niet omdat een activiteit omwille van het wettelijk vermoeden uit artikel 11 van de Vrijwilligerswet niet (langer) als vrijwilligerswerk kan worden opgevat, dat er hoe dan ook sprake is van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Zoals de Vrijwilligerswet zelf laat uitschijnen, kan er immers evengoed sprake zijn van een statutaire dienstbetrekking of van een dienstencontract (cf. Parl.St. Kamer 2003-04, nr. 455/1, 20).
Dat betekent dus dat wanneer een persoon op grond van artikel 11 van de Vrijwilligerswet wettelijk vermoed wordt geen vrijwilliger te zijn, dat de RSZ pas tot onderwerping aan de socialezekerheidsregeling voor werknemers kan besluiten wanneer ook wordt aangetoond dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst, hetgeen naast een loon ook arbeid onder gezag veronderstelt. De RSZ zal dan met name vooral moeten aantonen dat er sprake is van arbeid onder gezag, hetgeen het onderscheidend criterium bij uitstek is tussen een werknemer en een zelfstandige.
Personen een kantine laten bemannen tijdens voetbalwedstrijden door medewerkers van een supportersfederatie in uitvoering van een samenwerkingsovereenkomst met de exclusieve uitbater van de horeca-activiteiten van het voetbalstadion heeft de onderwerping van de supportersfederatie aan de RSZ-regeling werknemers tot gevolg mits cumulatief wordt aangetoond:
- dat de prestaties tot enige vorm van verloning aanleiding geven, zelfs al is deze zeer beperkt en al bestaat deze louter uit materiële voordelen of dat de aan de medewerkers toegekende kostenvergoedingen de forfaitaire grenzen overschrijden en het bewijs niet kan worden geleverd dat deze vergoedingen reële kosten dekken, hetgeen vrijwilligerswerk uitsluit;
- dat de door de medewerkers verrichte prestaties worden uitgevoerd onder gezag van de supportersfederatie, hetgeen het onderscheiden criterium bij uitstek is tussen een werknemer en een zelfstandige.
Wanneer, naast het verrichten van bezoldigde arbeid, de aard van de geleverde prestaties wijzen op het bestaan van een gezagsverhouding, moeten de medewerkers die instaan voor het bemannen van de kantine als werknemers worden beschouwd.
Het loutere feit dat de medewerkers weekend per weekend of nog wedstrijd per wedstrijd de mogelijkheid hebben om zich al dan niet aan te bieden voor het werk is onvoldoende om het bestaan van een gezagsverhouding te ontkrachten, wanneer vaststaat dat, eens de medewerker zich heeft geëngageerd om te komen werken, hij of zij bezoldigde arbeid verrichten in een hiërarchische context waarbij zij onder het gezag van de verantwoordelijken van de supportersfederatie staan.