Het fiscaal woonplaatsbegrip is een volkomen autonoom begrip met een eigen juridische invulling.
De fiscale woonplaats is afhankelijk van een geheel van feitelijke omstandigheden en gegevens. Het woonplaatsbegrip naar burgerlijk recht6 heeft eveneens een volledig eigen invulling.
De fiscale woonplaats is de plaats van duurzaam en effectief verblijf van een persoon, of in het geval van gehuwden en wettelijk samenwonenden, van het gezin
De fiscale woonplaats is geen synoniem van het burgerrechtelijke begrip, de woonplaats naar gerechtelijk recht of nog de nationaliteit –
Het begrip fiscale woonplaats of “belastingwoonplaats” draagt een vaste, door de rechtspraak ingekleurde betekenis die kan worden omschreven als een bijzondere en feitelijke woonplaats, die onafhankelijk kan zijn van de burgerlijke woonplaats en van de nationaliteit. De fiscale woonplaats komt tot stand komt, wordt bevestigd en consolideert zich door een geheel van feiten en omstandigheden en wordt s noodzakelijkerwijze gekenmerkt door een bepaalde continuïteit
Artikel 1 WIB92 bepaalt dat als inkomstenbelastingen worden geheven 1° een belasting op het totale inkomen van rijksinwoners, personenbelasting geheten 2° een belasting op het totale inkomen van binnenlandse vennootschappen, vennootschapsbelasting geheten.
Art. 3 WIB92 stelt dat rijksinwoners onderworpen zijn aan de personenbelasting.
Artikel 126 §1 WIB92 bepaalt dat in geval van huwelijk (of wettelijke samenwoning) een gemeenschappelijk aanslag dient te worden gevestigd op naam van de beide echtgenoten (conform artikel 2 §1, 3° WIB92). Deze gemeenschappelijk aanslag belet niet dat het belastbaar inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld.
Artikel 126 §2, 2° WIB92 stelt dat de vestiging van een gemeenschappelijk aanslag niet van toepassing is vanaf het jaar na het plaatsvinden van de feitelijke scheiding, voor zover die scheiding in het belastbaar tijdperk niet ongedaan is gemaakt.
Een feitelijke scheiding veronderstelt dat de echtgenoten op duurzame wijze niet meer samenwonen. De toestand van feitelijke scheiding dient door de belastingplichtige te worden bewezen.
De belastingplichtige kan hierbij verwijzen naar de inschrijving in het bevolkingsregister.
De administratie mag natuurlijk steeds het tegenbewijs van de feitelijke scheiding leveren door aan te tonen dat de inschrijving niet in overeenstemming is met de werkelijkheid.
Voor gehuwden die zich niet in één van de in artikel 126 §2, eerste lid, WIB92, vermelde gevallen bevinden, wordt de belastingwoonplaats bepaald door de plaats waar het gezin is gevestigd.
De gezinswoonplaats is een feitelijk gegeven.
De belasting is gesteund op de werkelijkheid. De fiscus kan door alle middelen van recht het gesimuleerde karakter van de feitelijke scheiding van de echtgenoten aantonen.
Dit bewijs kan geleverd worden aan de hand van een rechterlijke uitspraak waarin de samenwoning tussen de partijen werd weerhouden zoals bv. een uitspraak waarbij geoordeeld werd over ten onrechte genoten sociale uitkering ingevolge samenwoonst.
Zelfs al was de fiscus geen partij in deze naar sociaal recht, toch kan zij zich beroepen op deze uitspraak waarin de belastingsplichtigen partij waren.
Wanneer een gerechtelijke beslissing nog geen kracht van gewijsde heeft, heeft zij echter reeds gezag van gewijsde en heeft zij “bindende kracht” vanaf de uitspraak en ongeacht de beroepen die in voorkomend geval nog ingesteld zijn. Zolang de beslissing nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen, zal het gezag van gewijsde echter voorwaardelijk zijn.
Aan het gezag van gewijsde is zowel een negatief als een positief aspect verbonden.
In de negatieve zin – houdt het rechterlijk gezag van gewijsde in dat partijen later niet op een rechterlijke beslissing kunnen terugkomen door het instellen van een nieuwe vordering.
De toepassingsvoorwaarden voor het negatieve aspect van het gezag van gewijsde vereisen dat de gevorderde zaak, alsook de oorzaak van de vordering en de partijen (in dezelfde hoedanigheid) overeenstemmen.
Dit negatief aspect van rechterlijk gezag van gewijsde geldt met derhalve niet ten opzichte van derden.
Het positieve aspect van het rechterlijk gezag van gewijsde, gebiedt anderzijds dat een bijzondere bewijswaarde wordt toegekend aan een rechterlijke beslissing, namelijk een vermoeden van rechtmatigheid.
Het positieve aspect van het gerechtelijk gewijsde heeft wél gelding ten aanzien van derden en brengt met zich mee dat een rechterlijke beslissing bewijswaarde jegens een derde geniet, weze het slechts met de waarde van een weerlegbaar vermoeden (Cass. 21 januari 2011, nr. C.10.0100.N., concl. A.-G. VAN INGELGEM; B. ALLEMEERSCH, P. VAN ORSHOVEN en S. VOET, Tussen Gelijk Hebben en Gelijk Krijgen, Leuven, Acco, 2020, 27.
Aldus blijft het nuttig ook andere elementen te onderzoeken naast de bewijskracht ingevolge het positieve gezag van gewijsde van een gerechtelijk uitspraak nopens de fiscale woonplaats.