De toekenning van schadevergoeding aan milieuverenigingen voor de aantasting van het leefmilieu is geen vanzelfsprekendheid, maar werd inmiddels wel principieel aanvaard in de rechtspraak. Voorheen gold dat een vereniging geen persoonlijke schade leed wanneer collectieve natuurbelangen werden geschaad. De gedachte dat enkel individuen met een persoonlijk en rechtstreeks belang een rechtsvordering kunnen instellen, stond lange tijd haaks op de bescherming van niet-toegeëigende milieubestanddelen. Milieuverenigingen die enkel uitdrukkelijk in hun statuten de bescherming van het milieu vermeldden, liepen het risico dat hun vorderingen als onontvankelijk werden afgewezen omdat zij zogenaamd slechts het algemeen belang verdedigden. Die benadering werd inmiddels bijgestuurd onder invloed van internationale rechtsnormen, in het bijzonder het Verdrag van Aarhus en de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. De Belgische cassatierechtspraak aanvaardt vandaag dat verenigingen, wanneer zij zich statutair engageren tot milieubescherming en optreden tegen met het milieurecht strijdige gedragingen, voldoende belang kunnen aantonen om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen. Zij kunnen in dat kader zowel herstel in natura als schadevergoeding bij equivalent vorderen, ook wanneer het gaat om milieuschade zonder rechtstreekse vermogensimpact.
Inhoudelijk vereist het slagen van een aansprakelijkheidsvordering uiteraard nog steeds een fout, schade en een causaal verband. Indien overheidsinstanties vergunningen afleveren die nadien worden vernietigd door de Raad van State, staat de fout van de overheid in beginsel vast. Wanneer de vergunningsplichtige handelingen bovendien niet ongedaan worden gemaakt, of bestaande werken worden behouden ondanks vernietiging van de vergunning, dan komt ook de uitvoerder in beeld. Indien daardoor schade ontstaat aan het milieu en aan de verwezenlijking van de doelstellingen van een milieuvereniging, dan is ook het causaal verband aannemelijk.
Wat de schade betreft, is het belangrijk dat ook de aantasting van collectieve belangen, zoals het ecologisch karakter en de belevingswaarde van een natuurgebied, als morele schade van de vereniging kan worden erkend. Deze schade raakt aan de essentie van de reden waarom de vereniging werd opgericht en functioneert. Hoewel het om een vorm van morele schade gaat, kan zij reëel zijn en wordt zij in de praktijk begroot volgens redelijkheid, rekening houdend met de ernst en duur van de schade. Zelfs wanneer het herstel in natura niet aangewezen is – bijvoorbeeld omdat dit nieuwe schade zou veroorzaken of disproportioneel zou zijn – blijft een vergoeding in geld dan gerechtvaardigd.
Deze ontwikkeling onderstreept dat het aansprakelijkheidsrecht, en bij uitbreiding het milieurecht, ook ruimte moet laten voor actoren die niet opkomen voor hun individuele rechten, maar voor de belangen van toekomstige generaties en het behoud van natuurlijke ecosystemen. Door milieuverenigingen toegang te verlenen tot de burgerlijke rechter met het oog op zowel herstel als schadevergoeding, wordt het milieurecht niet alleen beter gehandhaafd, maar wordt ook de maatschappelijke relevantie van het aansprakelijkheidsrecht verruimd.