Een audiovisuele online-uiting, zoals een YouTube-video, kan een drukpersmisdrijf vormen in de zin van
artikel 150 van de Grondwet, voor zover zij een publieke meningsuiting bevat die niet door racisme of xenofobie is ingegeven.
Daaruit volgt dat
de correctionele rechtbank onbevoegd is om dergelijke audiovisuele lasterzaken te behandelen, aangezien
uitsluitend het hof van assisen bevoegd blijft voor drukpersmisdrijven.
Digitaal pestgedrag (zoals het op naam van een ander bestellen van goederen),
valsheid in informatica en
belaging zijn daarentegen wel vervolgbaar voor de Correctionele rechtbank.
Feiten in context
De burgerlijke partij, een doctoraatsonderzoeker aan de Universiteit Gent, beheerde anoniem het Twitteraccount “Schuld & Vrienden”, waarop hij kritiek uitte op de extreemrechtse jongerenbeweging Schild & Vrienden.
In 2019 werd zijn identiteit online onthuld, waarna hij het slachtoffer werd van haatberichten en doodsbedreigingen.
De leider van Schild & Vrienden (BK1) beschuldigde hem vervolgens publiekelijk van het misbruiken van UGent-gegevens om studenten te “doxen”. Die beschuldiging werd later herhaald in een YouTube-video van 8 april 2021, verspreid via het kanaal “Kies [BK1]”.
Een tweede beklaagde (BK2) bestelde kort daarna incontinentiemateriaal op naam en adres van de onderzoeker, met de bedoeling hem te intimideren.
De onderzoeker stelde zich burgerlijke partij wegens laster, bedreiging en belaging.
Beoordeling van de feiten tegen BK1 – de grens van het drukpersmisdrijf
De rechtbank onderzocht enkel de videoboodschap van 8 april 2021. Zij stelde vast dat de inhoud ervan lasterlijk kon zijn, maar dat de vorm van verspreiding beslissend was.
De rechter omschreef de YouTube-video als een publieke meningsuiting die via een audiovisueel medium werd verspreid. Volgens artikel 150 Grondwet vallen drukpersmisdrijven — dat zijn misdrijven gepleegd door middel van de pers of een gelijkaardig procedé — onder de bevoegdheid van het hof van assisen, behalve wanneer ze zijn ingegeven door racisme of xenofobie.
Hoewel het Hof van Cassatie (29 oktober 2013) had geoordeeld dat enkel schriftelijke publicaties onder de drukpers vallen, wijkt de Gentse rechtbank hiervan af. Zij interpreteert artikel 150 evolutief, in het licht van artikel 10 en 14 EVRM: ook audiovisuele verspreiding (beeld, video, spraak) is een modern equivalent van de drukpers.
De rechtbank motiveerde dat onderscheid maken tussen tekst en beeld arbitrair en discriminerend zou zijn, aangezien beide vormen bijdragen tot publieke meningsuiting.
Daarom besliste zij dat de YouTube-video een drukpersmisdrijf vormt, en verklaarde zich onbevoegd om over de lasterlijke inhoud te oordelen.
De zaak moet dus worden behandeld volgens de assisenprocedure.
Beoordeling van de feiten tegen BK2 – digitale belaging
Ten aanzien van BK2 bleef de correctionele rechtbank wél bevoegd.
Uit het strafonderzoek bleek dat hij:
-
• valse e-mailadressen had aangemaakt met de naam van het slachtoffer;
-
• op diens naam incontinentiemateriaal bestelde bij Tena;
-
• en de pakketten liet bezorgen op het woonadres van de onderzoeker.
De rechtbank achtte bewezen dat BK2 handelde met het oogmerk te schaden. Zijn gedrag werd gekwalificeerd als:
1. Valsheid in informatica – het manipuleren van gegevens met bedrieglijk opzet;
2. Valse naamdracht – het aannemen van de naam van het slachtoffer in digitale communicatie;
3. Belaging – het bewust en herhaaldelijk verstoren van de rust van het slachtoffer.
Volgens de rechtbank had BK2 duidelijk de bedoeling angst op te wekken en de onderzoeker te vernederen door te tonen dat zijn tegenstanders zijn adres kenden.
Hij werd dan ook schuldig verklaard aan alle tenlasteleggingen.
Burgerlijke aspecten
De burgerlijke partij vroeg schadevergoeding voor reputatie- en veiligheidsschade.
Ten aanzien van BK1 kan hierover pas worden geoordeeld door de bevoegde rechter voor drukpersmisdrijven (het hof van assisen of de civiele rechter na verwijzing).
Ten aanzien van BK2 is de aansprakelijkheid vastgesteld; de schadevergoeding volgt uit de bewezen strafbare feiten.
Juridische betekenis
Het vonnis is vernieuwend omdat het:
-
• het begrip “drukpersmisdrijf” uitbreidt tot audiovisuele online-uitingen;
-
• de assisenbevoegdheid bevestigt voor niet-racistische audiovisuele laster, en daarmee de grenzen van de correctionele bevoegdheid verduidelijkt;
-
• en tegelijk het digitale pestgedrag (valse bestellingen, online intimidatie) strafrechtelijk inkadert als valsheid en belaging.
Deze beslissing kan verstrekkende gevolgen hebben voor de vervolging van laster via podcasts, video’s en livestreams, waar voortaan niet langer automatisch de correctionele rechtbank maar het hof van assisen bevoegd kan zijn.