Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest van 18 september 2025 dat de regel in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) over de verjaring van vorderingen tegen bestuurders niet in strijd is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
Volgens artikel 2:143, §1, vierde streepje WVV verjaart een vordering tegen een bestuurder wegens handelingen in verband met zijn taak vijf jaar na die handelingen, ongeacht wanneer de benadeelde kennis kreeg van de fout of de schade. Alleen wanneer de handelingen met opzet verborgen zijn gehouden, begint de termijn pas te lopen vanaf de ontdekking.
Sommige partijen vonden dat discriminerend, omdat het gemeen recht (artikel 2262bis oud Burgerlijk Wetboek) voor buitencontractuele aansprakelijkheid wél vertrekt van het moment waarop de benadeelde kennis heeft van de schade. Het Hof volgde die redenering niet.
Volgens het Hof heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid om verjaringstermijnen vast te leggen. In het vennootschapsrecht wou hij vermijden dat bestuurders te lang in onzekerheid zouden blijven over mogelijke aansprakelijkheid, wat het aantrekken van bekwame bestuurders zou bemoeilijken. Ook wou hij dat benadeelden snel optreden zolang de feiten nog vers in het geheugen liggen.
De regeling is niet buitensporig streng. De wet voorziet uitzonderingen voor verborgen handelingen, voor ondeelbare fouten (waar de termijn pas begint te lopen bij het laatste feit), en voor strafrechtelijke inbreuken (waar de burgerlijke vordering niet verjaart vóór de strafvordering).
Zelfs wanneer een curator in een faillissement pas later kennis krijgt van de fout, is dat volgens het Hof geen reden om de termijn te verlengen: de curator handelt niet voor eigen rekening, en de doelstellingen van rechtszekerheid en economische stabiliteit blijven doorslaggevend.