In het alhier weergegeven vonnis oordeelde de rechter dat de Belgische Staat aansprakelijk is voor de schade die een gefailleerde natuurlijke persoon heeft geleden ten gevolge van de invoering van de inmiddels vernietigde vervaltermijn voor het indienen van een verzoek tot kwijtschelding van restschulden.
1. Achtergrond
Volgens het toenmalige artikel XX.173, § 2 WER moest een gefailleerde natuurlijke persoon binnen drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis een verzoek tot kwijtschelding van restschulden indienen. Wie dit niet deed, verloor onherroepelijk het recht op kwijtschelding.
Het Grondwettelijk Hof vernietigde deze bepaling bij arrest van 21 oktober 2021 omdat de vervaltermijn in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en de doelstelling van het tweedekansondernemerschap ondermijnde.
De eiser in deze zaak had, vóór die vernietiging, geen tijdig verzoek ingediend en werd geconfronteerd met aanzienlijke restschulden die hij begon af te betalen aan de FOD Financiën. Nadat hij alsnog kwijtschelding had bekomen, vorderde hij de terugbetaling van de reeds gedane betalingen van de Belgische Staat, op grond van een verrijkingsvordering en op grond van overheidsaansprakelijkheid wegens een fout van de wetgevende macht.
2. Geen toepassing van de verrijkingsvordering
De rechtbank wees de verrijkingsvordering af. De betalingen gebeurden immers op een ogenblik dat er wél een juridische grond bestond — de schulden waren toen verschuldigd en opeisbaar. Dat deze oorzaak nadien is weggevallen door de vernietiging van de wettelijke bepaling, schept geen retroactief recht op terugbetaling via de leer van de ongerechtvaardigde verrijking. Er bestond op het ogenblik van betaling een geldige rechtsgrond voor de verrijking, zodat niet aan de constitutieve voorwaarden van deze vordering is voldaan.
3. Fout van de wetgevende macht
De rechtbank onderzocht vervolgens of de Belgische Staat aansprakelijk kon worden gesteld wegens een fout van de wetgevende macht. Zij verwees naar de cassatierechtspraak waaruit volgt dat de Staat aansprakelijk kan zijn wanneer de wetgever handelt op een wijze die niet overeenstemt met het gedrag van een normaal zorgvuldig en voorzichtig wetgever in gelijkaardige omstandigheden.
De rechtbank sloot zich aan bij de overwegingen van het Grondwettelijk Hof, dat had vastgesteld dat:
-
de parlementaire voorbereiding geen enkele motivering bevatte voor het invoeren van een vervaltermijn van drie maanden;
-
de maatregel indruiste tegen het doel van de wet zelf, namelijk het bevorderen van tweedekansondernemerschap;
-
de termijn geen invloed had op de spoedige afwikkeling van het faillissement;
-
de gevolgen van het missen van de termijn buitenproportioneel waren, aangezien de gefailleerde en diens partner levenslang instonden voor restschulden.
De rechtbank voegde eraan toe dat uit de regelgevingsimpactanalyse niet bleek dat de wetgever de sociale gevolgen van de maatregel had overwogen. Er werd zelfs aangekruist dat er “geen impact” op kansarmoede te verwachten was, terwijl de maatregel precies kon leiden tot een aanzienlijke verarming van te goeder trouw handelende gefailleerden.
Op basis daarvan oordeelde de rechtbank dat de wetgever onzorgvuldig had gehandeld bij het invoeren van de vervaltermijn en aldus een fout had begaan in de zin van de algemene regels van buitencontractuele aansprakelijkheid.
4. Causaal verband en schade
De eiser had intussen effectief kwijtschelding verkregen van zijn restschulden. De rechtbank achtte het aannemelijk dat hij ook oorspronkelijk aanspraak had kunnen maken op die kwijtschelding, zodat de bedragen die hij intussen had afbetaald, rechtstreeks verband hielden met de fout van de wetgever. Deze bedragen vormden dus de geleden schade.
De rechtbank kende de vordering toe ten belope van 31.668 euro in hoofdsom, vermeerderd met wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding.
5. Belang van het vonnis
Dit vonnis (waartegen wel beroep werd ingesteld) bevestigt dat de Belgische Staat aansprakelijk kan worden gehouden voor fouten die bij het wetgevend proces worden gemaakt, zelfs wanneer de betwiste bepaling intussen door het Grondwettelijk Hof werd vernietigd.
De beoordeling beperkt zich niet tot de vaststelling van de ongrondwettigheid zelf, maar tot een inhoudelijke toets of de wetgever bij de totstandkoming van de wet zorgvuldig heeft gehandeld.
De beslissing is ook belangrijk voor gefailleerden die tussen 2017 en 2021 geconfronteerd werden met een laattijdig verzoek tot kwijtschelding en daardoor restschulden moesten aflossen. Zij kunnen zich beroepen op de vastgestelde fout van de wetgevende macht om schadevergoeding te vorderen voor bedragen die zij na faillissement hebben betaald op basis van de vernietigde bepaling.